Samen eerlijk

„Bezorgt hetgeen eerlijk is voor alle mensen.” Deze tekst uit Romeinen 12 houdt ons voor dat we iedereen zonder aanziens des persoons gelijk en eerlijk moeten behandelen. Maar hoe vertaal je deze Bijbeltekst naar de politiek? Ben jij eerlijk? Ben ik eerlijk? Een vraag die we elkaar of onszelf niet zomaar stellen. En als die gesteld wordt, zegt niemand: nee, ik ben niet eerlijk. We staan allemaal graag bekend als goudeerlijk. De meesten van ons zullen ook echt hun best doen om zo eerlijk mogelijk te zijn. Maar zijn we daarmee ook echt eerlijk of ligt dit subtieler? En hoe zit het met eerlijkheid in de politiek? Natuurlijk spreekt Romeinen 12 over eerlijkheid in het verband van onderlinge liefde in de christengemeente. Dit is niet zomaar toepasbaar in de politiek. Maar een passage als „heb een afkeer van het boze en hang het goede aan” (12:9) kun je toch moeilijk ”afhankelijk van de situatie toen” noemen. Romeinen 12 heb ik proberen te lezen met een politieke bril. Ik struikelde echter steeds over passages die heel lastig toepasbaar zijn in de politiek. „Hebt elkander hartelijk lief met een broederlijke liefde, met eer de een de ander voorgaande…” (12:10). Dat lukt nog wel binnen de christelijke partijen. Maar hoe zit dat met partijen die ideologisch diametraal tegenover ons staan? Of de passage: „Zegent hen die u vervloeken” (12:14). Vervloeken gebeurt niet letterlijk, maar lelijke verwijten vliegen dagelijks door de plenaire zaal. En dan reageren met zegenen? Het woord ”eerlijk” staat letterlijk in Romeinen 12:17: „Bezorgt hetgeen eerlijk is voor alle mensen.” Ofwel: behandel zonder aanziens des persoons iedereen gelijk en eerlijk. Maar hoe vertaal je deze Bijbeltekst naar de politiek?

Navolgers van Christus

Eerlijk zijn doe je sámen. Eerlijk zijn is dus gekoppeld aan de naaste of aan onze Schepper. Je hebt dus de ander of de Ander met een hoofdletter nodig om eerlijk te kunnen zijn. Een samenleving is enorm gebaat bij eerlijkheid. ”Samen” geldt voor ál onze naasten. Samen eerlijk zijn betekent dus eerlijk zijn voor iedereen. Die kwetsbare dakloze, die harde zakenman, die gewetenloze crimineel, die noeste visser en die politicus die het bloed onder je nagels vandaan haalt. Zij mogen allemaal een beroep doen op een eerlijke behandeling. Van ons persoonlijk en van de overheid.

Eerlijk zijn in de politiek houdt in: behandel de ander zoals jezelf behandeld wilt worden. Maar hoe geven we die eerlijkheid vorm als christenpolitici? Moeten we daarin niet navolgers van Christus zijn? De Zoon van God betoonde Zich volmaakt in rechtvaardigheid, liefde en barmhartigheid. Dat betekent voor ons politieke handelen dat we rechtvaardig en barmhartig zijn, met liefde voor de medemens en oog voor de omstandigheden. Daarbij moeten we open en eerlijk zijn over onze motieven.

Migranten

Ik neem ”asiel” als voorbeeld. Je wilt als christenpoliticus barmhartig zijn voor de naaste in nood. De Heere Jezus geeft ons deze belangrijke opdracht. Mensen die met gevaar voor eigen leven uit oorlogsgebieden vluchten, moeten we helpen. Maar er zijn nog wel een paar dingen om rekening mee te houden. Onze woningmarkt en onze voorzieningen piepen en kraken onder de al jaren aanhoudende stroom migranten. De bevolkingssamenstelling verandert. Steeds meer inwoners van ons land hangen de islam aan. Deze religie is echter dominant in negen van de tien landen waar christenvervolging het meest plaatsvindt. Bovendien komen lang niet alle migranten om veiligheidsredenen hiernaartoe. We zien steeds meer alleenreizende jonge mannen.

Het is niet eerlijk om te zeggen: alle grenzen moeten dicht. Dat kan niet in verband met wetten en verdragen en is bovendien niet barmhartig. Anderzijds is de grenzen onbeperkt openzetten ook niet eerlijk. Dan suggereer je een barmhartige oplossing die dat eigenlijk niet is. Want er zijn geen woningen, er is geen draagvlak en de voorzieningen zijn niet bestand tegen de huidige onbeperkte aantallen migranten, zo rapporteerde vorig jaar een staatscommissie.

Samen eerlijk is, denk ik: streven naar een forse daling van de instroom door opvang in de regio te bieden, door meer tijdelijke opvang en door selectiever te zijn: wie hebben onze hulp echt nodig? Wat de SGP betreft is het ook eerlijk om er open over te zijn dat je het liefst vervolgde christenen opvangt. Zij hebben in het Midden-Oosten en Afrika vaak geen plek waar ze terechtkunnen en passen goed bij de christelijke wortels van ons land. Aanhangers van de islam hebben veel meer keuze als het gaat om een veilig heenkomen. En eerlijk gezegd is de groeiende islamisering een bron van zorg.

Boeren

Een ander voorbeeld is hoe we met de natuur en onze boeren omgaan. Hier geldt de Bijbelse opdracht om de schepping te bewaren. Als rentmeester mogen we geen roofbouw plegen op de aarde. Stikstof stelt ons echter voor een dilemma. Is het eerlijk dat we op basis van ter discussie staande wetenschappelijke inzichten duizenden boeren in onzekerheid houden over of ze nu illegaal zijn of niet? Is het eerlijk om in een land met ruim 18 miljoen inwoners te streven naar een staat van de natuur die meer past bij de jaren vijftig? En mogen we daar de toekomst en inkomens van tienduizenden boeren voor opofferen? Is het eerlijk dat we mest laten afvoeren met vrachtwagens en vervolgens met aardgas gemaakt kunstmest aanvoeren, omdat er toch mest nodig is voor de groei van gewassen? Ook hier twee klippen. Enerzijds een bijna religieuze aandacht voor klimaat, natuur en dier, zonder oog voor de mens. Anderzijds een te economische blik, zonder oog voor de gevolgen van onze keuzes voor de schepping. Eerlijke stuurmanskunst is nodig om goed met deze dilemma’s om te gaan.

Wijsheid

Op de juiste manier omgaan met deze dilemma’s is voor de SGP een dagelijkse zoektocht, waarbij het ons aan de nodige wijsheid ontbreekt. „Maar indien iemand wijsheid ontbreekt, dat hij ze van God begere”, lezen we in Jakobus 1. Salomo schrijft: „Voorwaar, er is geen mens rechtvaardig op aarde, die goed doet, en niet zondigt” (Prediker 7:20). Vanuit die vernederende wetenschap mogen we blijven proberen om samen eerlijk ons werk te doen. In samenleving en politiek. In het besef dat we afhankelijk zijn van God, Die mild geeft en niet verwijt.

Dhr. A.J. Flach is lid van de Tweede Kamerfractie van de SGP. Hij hield op 16 juni deze toespraak tijdens de residentiepauzedienst in de Waalse Kerk in Den Haag

 

Samen voor vervolgde christenen

Wees deelgenoot in de noden van de heiligen.

In het kader van christenenvervolging en de aankomende nacht van gebed van Open Doors aanstaande vrijdag wil ik stil staan bij een passage in de brief van Paulus aan de gelovigen in Rome. De Apostel schreef deze brief schreef in een tijd van grote spanning en onzekerheid. Christenen in Rome werden al langer met argwaan bekeken door de Romeinse autoriteiten. Ze werden gezien als een gevaarlijke, afwijkende groep, omdat zij weigerden de Romeinse goden te vereren. Dat leidde tot uitsluiting en vijandigheid. Na deze brief leidde dat tot zware vervolgingen onder keizer Nero na de brand van Rome. En juist in deze misschien wel verstikkende context schrijft Paulus deze woorden:

‘Verblijd u in de hoop. Wees geduldig in de verdrukking. Volhard in het gebed. Wees deelgenoot in de noden van de heiligen. Leg u toe op de gastvrijheid. Zegen wie u vervolgen. Zegen hen en vervloek hen niet.’ – Romeinen 12:12-14

Broeders en zusters, deze woorden die al bijna meer dan 2000 jaar oud zijn nu misschien wel net zo actueel als toen. Want wereldwijd worden vandaag meer dan 388 miljoen christenen vervolgd. Dat is één op de zeven christenen wereldwijd. Mensen die hun geloof niet vrij kunnen belijden. Die worden opgejaagd, vals beschuldigd, gevangengezet of zelfs vermoord.

En als ik denk aan landen als Nigeria, dan grijpt mij dat diep aan. Dorpen worden afgebrand. Voorgangers worden ontvoerd. Families raken alles kwijt. Duizenden christenen zijn daar het afgelopen jaar vermoord, alleen omdat zij de naam van Jezus dragen. Maar ook de persoonlijke verhalen uit Congo, Syrië, Pakistan, India en vele andere plaatsen in de wereld vindt er groot onrecht plaats en lijdt men omwille van het geloof.

En toch… juist vanuit deze werkelijkheid van lijden en vervolging leert Paulus ons hoe wij als christen zouden moeten leven. Ik wil stilstaan bij drie lessen uit deze tekst.

  1. De oproep om deelgenoot te zijn in de noden van onze broeders en zusters is een oproep om ons actief te laten raken door de pijn van anderen. Om in verbinding te staan met de ander, ook wanneer het moeilijk is.

    Wat mij steeds meer raakt is dat wij hier in Nederland elke zondag vrij naar de kerk kunnen gaan. We kunnen zingen, bidden, de Bijbel openen zonder angst. Terwijl miljoenen christenen die vrijheid niet hebben. En als ik eerlijk ben soms worstel ik ondanks al die vrijheid al met kleine dingen. Vroeg opstaan. De gedachte om de dienst over te slaan als het te hard regent. Een drukke agenda de week erop. Maar ergens op deze wereld riskeert een broeder of zuster vandaag zijn leven om samen te komen in het geheim, soms om maar een paar pagina’s uit de Bijbel te kunnen lezen. Dat besef en door mij te laten raken door de omstandigheden van mijn broeders en zusters heeft mij veranderd. Paulus licht andere brief dat wij als kerk van christus één lichaam zijn. En als één deel van het lichaam lijdt, dan lijdt het hele lichaam mee. De vraag aan u en mij is dus niet alleen: weten wij dat christenen vervolgd worden? De vraag is veel meer: voelen wij hun pijn nog als onze pijn?

  2. Paulus schrijft ook: “Volhard in het gebed.”

De gruwelijkheden en de enorme aantallen zijn indrukwekkend. En wat kunnen wij nou betekenen als we het lijden van der ander zo zien? Een gevoel van machteloosheid kan ons verlammen. Maar het gebed van de gemeente is nooit machteloos. Paulus doet een oproep dat vraag om reflectie. Nemen wij vervolgde christenen mee in ons dagelijks gebed? Bidden wij voor voorgangers in gevangenschap? Voor gezinnen die moeten vluchten? Voor christelijke kinderen die opgroeien onder dagelijkse dreiging? Het is mooi dat er initiatieven zijn voor gebed, zoals bijvoorbeeld de nacht van het gebed deze vrijdag georganiseerd door Open Doors. Een avond waar wereldwijd christenen samenkomen om te bidden voor de vervolgde kerk. Ook u heeft hier een gelegenheid om te verbinden en mee te doen in het volharden van dat gebed. Want soms behandelen wij gebed als een laatste redmiddel. Terwijl Paulus het juist noemt als levenslijn van de wereldwijde gemeente. Gebed verbindt ons met Christus. Gebed verbindt ons met elkaar. Gebed doorbreekt grenzen, talen en continenten. Het gebed van een rechtvaardige vermag veel. En dan sluit ik af met misschien wel de meest opvallende oproep van de Apostel. Paulus roept niet alleen op tot geduld, verbinding en volharding in tijden van vervolging. Nee, hij zegt ook:

3. “Verblijd u in de hoop.”

Dat is opmerkelijk. Want hoe kun je redelijkerwijs spreken over blijdschap en hoop ten midden in vervolging? En toch zie ik dat telkens terug bij vervolgde christenen. Ze leven onder constante dreiging. Ze hebben familie verloren. Ze kennen angst, geweld en onzekerheid. Maar toch zeggen zij: “Wij zullen niet buigen. Wij blijven Koning Jezus grootmaken.” En eerlijk gezegd: hun geloof heeft mijn geloof verdiept. En een paradigmaverschuiving in mijn denken teweeggebracht. Want ik dacht vaak dat wij hen moesten helpen. Maar steeds ontdek ik dat zij óns hier in het Westen veel meer helpen. Hun trouw en blijdschap laat ons zien wat echte hoop is. Een vreugde dat niet afhankelijk is van de feitelijke omstandigheden. Niet een vreugde dat gebaseerd is  op comfort of veiligheid. Maar hoop die gericht is op Jezus Christus, de Auteur en Voleinder van ons geloof die alle dingen nieuw zal maken. En die hoop werkt als een anker voor de ziel. En dit levend geloof maakt blij en vrij te midden van vervolging. En in deze dynamiek zien we het mysterie van het lichaam van Christus. De sterken ontfermen zich over de zwakken, maar wie is nou is de sterke en wie is de zwakke? Het lijdende deel van het lichaam lijkt geregeld juist het sterkste getuigenis te dragen en leert de kerk in het vrije Westen veel over het volgen van Jezus. De vervolgde kerk leert ons wat echte vergeving is. Wat echte standvastigheid is. Wat het betekent om trouw te blijven aan Jezus, zelfs tot aan de dood. De vervolgde kerk heeft de kerk in Nederland veel te zeggen. Maar zijn wij bereid te luisteren?

“Verblijd u in de hoop.”

Want onze zekerheid ligt niet in deze wereld of onze omstandigheden. Onze zekerheid ligt in Christus. Hij die het hoofd is van Zijn gemeente. Hij door wiens kostbaar bloed wij vrije toegang tot de Vader hebben gekregen. En Hij die beloofd dat Hij voor eeuwig onder zijn volk zal wonen. ‘Deze hoop hebben wij als een anker voor de ziel, dat vast en onwrikbaar is.’ – Hebreeën 6:19.

Mr. D.G.M. Ceder is lid van de Tweede Kamerfractie van ChristenUnie. Hij hield op 19 mei deze toespraak tijdens de residentiepauzedienst in de Waalse Kerk in Den Haag

Samen regeren

Politici moeten zich niet afvragen: wat levert dit op voor ‘mijn’ mensen? Maar dieper: wat doet dit met ons als samenleving? Wat is rechtvaardig, houdbaar en (zichtbaar) goed voor het grotere geheel? „Wie niet gelooft in wonderen is geen realist.” Dat zijn geen woorden van Paulus (althans niet letterlijk), maar van mijn favoriete filosoof Herman Finkers. Toch hebben ze misschien meer dan je op het eerste gezicht denkt te maken met wat Paulus in Romeinen 13:17b schrijft: „Wees bedacht op wat goed is voor alle mensen.” Paulus schreef deze woorden aan een gemeenschap in Rome die diep verdeeld was. Het is een eenvoudige zin. Maar in de toenmalige wereld was deze opdracht allesbehalve eenvoudig. In Rome leefden Joodse en niet-Joodse volgelingen van Jezus samen. Ze kwamen enorm met elkaar in botsing over gebruiken en wetten, over wat wezenlijk is en wat niet. Die verdeeldheid liep langs lijnen die we vandaag de dag goed herkennen: achtergrond, cultuur, religie, identiteit. En onder die botsingen ligt een vraag die ook van alle tijden is: wie bepaalt de koers van de samenleving? En van wie is de gemeenschap eigenlijk? „Wees bedacht op wat goed is voor alle mensen.” Dat klinkt als een vriendelijke bijzin, maar houdt een principiële keuze, een morele oriëntatie in. En de geschiedenis laat zien wat er op het spel staat. Want in het jaar 70 na Christus wordt Jeruzalem verwoest door de Romeinen. Er ontstaat in deze stad tussen Joodse en niet-Joodse volgelingen van Jezus, die tot dan toe toch samen optrokken, een geleidelijke breuk. Hun wegen scheiden in wat we later de synagoge en de kerk zijn gaan noemen. Van die breuk dragen we, tot onze spijt, tot op de dag van vandaag de gevolgen.

Genade

Wij leven opnieuw in een tijd van spanning en onzekerheid. Wereldwijd zijn er oorlogen, verschuivende machtsverhoudingen en grote vragen rond klimaat en migratie. Ook in Nederland is vertrouwen niet vanzelfsprekend. Dat merk je bijvoorbeeld aan de protesten tegen vluchtelingenopvang en de bezettingen door klimaatactivisten, aan de zorgen over bestaanszekerheid, aan mensen die zich niet gehoord voelen. Ons politieke landschap is versnipperd geworden. Hoe moeilijk is het soms om elkaar nog te vinden. In die situatie wordt iets zichtbaar van wat Paulus ook zag: samenwerken is kwetsbaar. Omdat identiteit belangrijker wordt dan samenwerking. Omdat gelijk krijgen belangrijker wordt dan het goede doen. Er is een nieuwe soort verzuiling, met bubbels waarin mensen elkaar vinden in hun weerstand tegen andere groepen mensen. Die nadruk op het individuele belang leidt echter tot vervreemding en vereenzaming. Mensen voelen zich niet meer thuis in hun buurt. Jongeren vragen zich af: waar hoor ik bij? Ben ik wel goed genoeg om mee te doen, ook als ik mezelf ben? En is er nog genade? Want genade houdt niet alleen vergeving in, maar ook: elkáár genadig zijn en elkaar grootmoedig toelaten in je omgeving en in je eigen leven. Dat is ook het probleem waar Paulus bijna 2000 jaar geleden over schreef.

Begrip opbrengen

In zo’n tijd is politiek méér dan debatten voeren en beleid maken. Het is verantwoordelijkheid dragen voor het grotere geheel. Je realiseren dat je niet voor jezelf leeft, maar méér moet maken van het talent, de rol en de positie die je gegeven zijn. Politici moeten zich niet afvragen: wat levert het op voor ‘mijn’ mensen? Maar dieper: wat doet dit met ons als samenleving? Wat is rechtvaardig, houdbaar en (zichtbaar) goed voor het grotere geheel? Het is belangrijk dat we ons zichtbaar en voelbaar bekommeren om de ziel van de samenleving.

Zeker als samenwerken kwetsbaar is. Als er een minderheidscoalitie is. Als je afhankelijk bent van mensen die anders denken, kijken en geloven. Juist dan komt het erop aan voor alle mensen het goede te doen, zoals Paulus zegt. Dat doet een beroep op onszelf. We moeten luisteren om te begrijpen, in plaats van luisteren om te reageren. Begrip opbrengen voor hoe een ander naar iets kijkt. Bezien of we er samen uit kunnen komen. De Talmoed bevat een anekdote over twee rabbijnen die zo intens met elkaar in discussie waren over de waarheid van de Thora dat de muren van het huis begonnen te schudden. Ze vielen echter niet om, maar bleven scheef staan. Als het ware uit eerbied voor beide stemmen, zolang beide stemmen maar bleven klinken. Dus: zolang we met elkaar blijven praten, blijven de muren overeind staan.

Wedstrijd

Wat dat betreft lijkt politiek tegenwoordig vaak op een wedstrijd om ”alles of niets”. Er wordt dan een politieke winst- en verliesrekening bijgehouden. Maar de vraag van Paulus laat zich niet wegduwen: ben je bedacht op wat goed is voor álle mensen? In de politiek én in de samenleving? Want samenleven doe je niet alleen. Dat vraagt onderhoud en daar zijn wij persoonlijk verantwoordelijk voor. Ergens in de marge klinkt dan die zin van Herman Finkers: „Wie niet gelooft in wonderen is geen realist.” Misschien is precies dat nodig. Geen naïef optimisme, maar het realisme dat weet hoe kwetsbaar samenwerking is en tóch gelooft dat die mogelijk is. Dat het goede het kan winnen van het eigen gelijk. Die verdeelde christelijke gemeenschap ten tijde van Paulus is voor ons zo herkenbaar. Maar we kunnen ook anno 2026 werken aan geleidelijk herstel. In kleine, betekenisvolle stappen. Buurtmoeders die omkijken naar kwetsbare kinderen in een wijk met veel problemen. Verenigingen waar mensen niet alleen samen sporten, maar elkaar zo nodig ook support bieden. Misschien is dát het wonder waar wij allemaal aan mogen meewerken.

Loslaten

Dat vraagt van politici ook loslaten. Tevreden zijn als je minder dan 100 procent van je verkiezingsprogramma kunt realiseren, doordat je anderen ook wat gunt. We zijn een coalitieland. Of we nu met een meerderheid of met een minderheid regeren, we regeren sámen. De woorden van Paulus zijn oud. Maar zijn appel is verrassend concreet.

Mr. H.S. Steen is lid van de Tweede Kamerfractie van het CDA. Zij hield op 21 april deze toespraak tijdens de residentiepauzedienst in de Waalse Kerk in Den Haag

Samen werken

Als Haagse ChristenUnie/SGP spreken we vaak over het werken aan een ongedeeld Den Haag waarin de gemeenschapszin bloeit. Maar wat betekent dat eigenlijk? En hoe pakken we dat aan? Den Haag is een stad van contrasten. Van macht en kwetsbaarheid. Van internationale allure en stille armoede. Van prachtige wijken met luxe woningen op het zand en de armste wijken van Nederland op het veen. Als inwoner van deze stad en als raadslid kom ik op veel plekken. En elke keer weer vallen mij die ongelooflijke verschillen op. Ze komen tot uiting in de bouwstijl, het onderhoud van woningen, het winkelaanbod, in versteende of juist groene straten. En minder zichtbaar: in de levensverwachting en de schuldenproblematiek.

Verharding

Ik ervaar die tegenstellingen in de stad steeds meer ook in de politiek in het Haagse stadhuis. De verharding en het telkens verder uiteenlopen van tegenstellingen is zichtbaar. Het gaat erom dat ík gehoord word en míjn standpunt helder is. Dat mijn achterban ziet dat ík me inzet, standvastig ben en me niet laat overhalen tot compromissen. Het ”samen”, het gezamenlijke gevoel verantwoordelijk te zijn voor de héle stad, voor alle inwoners, staat onder druk. Als ChristenUnie/SGP spreken we vaak over het werken aan een ongedeelde stad. Aan het verkleinen van die tegenstellingen. Want we zijn samen Den Haag. Dat onderschrijft iedereen, maar als puntje bij paaltje komt, laten daden nog wel eens te wensen over. Een ongedeelde stad willen zijn, wat betekent dat eigenlijk? Dit vraagt wat van je. Want tegenstellingen verkleinen betekent niet alleen ”de ander” vooruithelpen, maar misschien ook zelf wat inleveren.

Onder armoedegrens

De wijk Laakkwartier kent veel kwetsbaarheid. Er wonen vele arbeidsmigranten. Ze worden soms wel met zijn tienen in huizen van 60 vierkante meter gepropt, tegen huren van honderden euro’s per maand per persoon. Ruim 50 procent van de mensen in de wijk is laaggeletterd. Duizenden huishoudens hebben schulden. Nog meer huishoudens leven onder de armoedegrens. In Laakkwartier vangen we als gemeente in een paar gebouwen meer dan duizend kwetsbare mensen en vluchtelingen op. Waar het kan, helpen wijkgenoten. Aan de andere kant van de stad ligt de Vogelwijk. Minder dan 3 procent van haar inwoners is laaggeletterd. Nog geen 2 procent van de woningen is een sociale huurwoning. Het gemiddelde jaarinkomen per huishouden is een ton (100.000 euro!). De wijk kent sociale cohesie, want het leven is comfortabel genoeg om ook naar de ander om te zien. Er is plek om vierhonderd dakloze en kwetsbare mensen op te vangen, maar het gebeurt niet. Want veel mensen in de Vogelwijk gebruiken alle kanalen die ze hebben om dat tegen te houden.

Gemeenschappen

Natuurlijk kan een ingewikkeld politiek dossier, wat de opvang van daklozen en vluchtelingen vaak is, niet zomaar even platgeslagen worden. Zulke voorbeelden laten echter pijnlijk zien dat ”samen” voor veel mensen op lijkt te houden als het ook wat van hen vraagt. Als ChristenUnie/SGP benadrukken we daarom het belang van gemeenschappen, waar sterke en zwakkere schouders elkaar ontmoeten. Waar mensen elkaar leren kennen, kan sociale samenhang ontstaan en groeien. In het Laakkwartier zit bijvoorbeeld wijkcentrum De Rank. Een kerk waar tal van maatschappelijke initiatieven ontplooid worden en meerdere kerkgemeenschappen gehuisvest worden. Daar weten mensen zich gezien, krijgen ze hulp en ervaren ze saamhorigheid. God heeft mensen geschapen om in relatie met elkaar te leven.

Woningbouw

De gemeenteraadsverkiezingen zijn aanstaande en we hebben gekozen voor een programma getiteld ”Geloof in Den Haag”. Daarmee zetten we die kracht van de samenleving centraal. Pas als laatste komt de overheid aan bod. Door de kracht van de samenleving is een plek leefbaar en zit er een ziel in de buurt, wijk of stad. De overheid moet dat niet regelen, maar wel faciliteren, versterken en er ruimte aan geven. Zodat gemeenschappen kunnen bloeien. Dat klinkt best logisch, maar de praktijk is weerbarstig. Want hoe doe je dat? Misschien wel vooral door rekening te houden met het ”samen”. Door bij het vaststellen van bouwplannen ervoor te zorgen dat er niet alleen maar kleine studiootjes gebouwd worden, waarin mensen zich in hun eentje kunnen terugtrekken en hun buren niet hoeven te zien of te spreken. De eenzaamheid is vele malen ernstiger dan voorheen. Niet vreemd, als je ziet hoe de woningbouw daarin voorziet. Een keerpunt begint met ruimte bieden aan ontmoeting. Maar keer op keer is de realiteit dat bij nieuwbouw de ruimte voor gemeenschappen ontbreekt. Want het is niet rendabel om daarmee te rekenen. Een ontwikkelaar bouwt liever huizen dan gemeenschapsruimtes of ruimtes voor kerken.

Ruimte voor kerken

Haagse kerken hebben daarom onvoldoende ruimte. 35 kerken zijn op zoek naar een plek om samen te komen. Maar als ze bij de gemeente aankloppen, staan ze voor een dichte deur. De overheid weet kerken heel goed te vinden als die nodig zijn als partner in de strijd tegen bijvoorbeeld armoedebestrijding. Als echter de ruimtevraag op tafel komt, gaat de deur dicht.

Als landelijke ChristenUnie lanceerden we in februari het manifest ”Ruimte voor kerken”. Daarin pleiten we voor een dienstbare overheid die ook oog heeft voor geloofsgemeenschappen. Een overheid die de kracht van de samenleving de ruimte geeft, moet ook geloofsgemeenschappen de ruimte bieden. Door ze te zien als een onmisbaar onderdeel van een stad en van mensenlevens. Door te erkennen dat mensen geloven en dat ze zingeving, ontmoeting en verbinding nodig hebben. En dat dit begint met het hebben van een fysieke ruimte. Van daaruit wordt door geloofsgemeenschappen het sociale weefsel dat de laatste jaren zo afbrokkelt stap voor stap een klein beetje hersteld of weer opgebouwd.

Spanningsveld

Daarmee zijn we bij Romeinen 12:11: „Wees niet traag wat uw inzet betreft.” Of zoals de Nieuwe Bijbelvertaling het zegt: „Laat uw enthousiasme niet bekoelen.” Dat betekent een spanningsveld voor een politicus. Want politieke inzet is intens, complex en soms ontmoedigend. Resultaten laten op zich wachten en idealen botsen soms met de realiteit. Tegenwoordig sta je als voorstander van ruimte voor kerken vaak alleen aan het touw te trekken. Gelukkig gaat Romeinen 12:11 verder: „Wees vurig van geest.” Dat proberen we als fractie en dat probeer ik als raadslid te blijven. Daar bidden we voor en daar vragen we gebed voor. Het is de Geest die ons blijft aansporen om ons in te zetten voor verbinding, voor het ”samen”.

Judith Klokkenburg is lid van de gemeenteraad van Den Haag namens de ChristenUnie-SGP. Zij hield op 17 februari mei deze toespraak tijdens de residentiepauzedienst in de Waalse Kerk in Den Haag

Wijs met een goed bestuur

Wie kan mijn stem winnen? Ik zoek iemand die wil dienen. Natuurlijk zijn er grote thema’s en belangen, maar wie komt er op voor de weduwe, de wees en de vreemdeling? Ik ben immers zelf een vreemdeling op deze aarde.

Waarom worden we eigenlijk bestuurd? Waarom hebben wij zo’n enorme behoefte aan koningen, premiers, wethouders en synodevoorzitters? Zouden we niet voldoende hebben aan enkel de leiding van God dan wel Zijn geboden? Zoals mijn geschiedenisleraar op de middelbare school altijd zei: „Bij de SGP hebben ze nooit een verkiezingsprogramma nodig, ze kunnen gewoon de Bijbel open slaan.”

In de Bijbel komen we op diverse plekken de niet te stuiten wens van het volk Israël tegen om zich te voorzien van aardse leiders en heersers. In Samuël 1 lezen we dat het volk een koning wil. Ze hebben al een Koning in de hemel, maar ze willen ook een koning op aarde. Samuël probeert de Israëlieten ervan af te houden, door hun voor te spiegelen wat zo’n koning allemaal van het volk vraagt: „Hij zal jullie zonen dwingen om soldaat te worden. Weer anderen moeten op zijn land werken en zijn koren maaien. De koning zal jullie dochters dwingen om voor hem te werken.” Maar het volk wil niet luisteren.

De behoefte om achter iemand aan te lopen, iemand boven ons te hebben, om bestuurd te worden, is diep in ons geworteld. Kennelijk hebben we niet genoeg aan alleen onszelf of enkel aan God. En we zijn als mensheid bereid daar ver in te gaan.

”Sterke leider”
De Raad van State berekent in zijn meest recente jaarverslag dat anno 2024 29 procent van de wereldbevolking in een democratie leeft en liefst 71 procent in een autocratie. Een autocratie is een staatsvorm waarin de macht in belangrijke mate geconcentreerd is bij één persoon of college en er geen of verminderd sprake is van open en vrije verkiezingen, bescherming van fundamentele rechten en onpartijdige rechtspraak. Reken maar dat de macht daar allereerst aan zichzelf denkt.

Het aantal autocratieën is de laatste tien jaar fors gestegen. Ook in eigen land ziet de Raad deze tendens: uit het Nationaal Kiezersonderzoek 2024 blijkt dat een derde van de kiezers het land wel zou willen toevertrouwen aan een ”sterke leider”, ook als die soms de regels naar zijn (of haar?) hand zou zetten. In september 2024 bleek uit IPSOS-onderzoek dat veel kiezers bereid waren om tijdelijk het parlement buitenspel te zetten om vergaande asielmaatregelen door te kunnen voeren. De noodwet. Inmiddels gelukkig van tafel. Maar we zijn qua autonomie en vrijheid bereid ver te gaan, ook wij koele Nederlanders, als de problemen op het vlak van wonen, stikstof, asiel en oorlog te dicht bij ons komen.

Exodus
Terug naar de vraag waarom wij ons zo graag laten besturen. De voormalige Londense opperrabbijn Jonathan Sacks besteedt in zijn bespreking van het boek Exodus aandacht aan die behoefte aan wereldlijke staatsvorming en leiding. Er moet van alles opgebouwd worden, zowel individueel als qua gemeenschap.

Sacks legt uit dat je, wil je de Goddelijke opdracht op aarde laten landen, meer dan een verzameling eenlingen moet zijn. Je moet dan met elkaar afspraken maken over wat die hemelse gerechtigheid, de menselijke waardigheid, vrede (in voorkomende gevallen oorlog) en welzijn voor de armen praktisch inhouden. Je moet wetten maken waarbij de sterken en de zwakken, de machtigen en de machtelozen onderworpen worden aan dezelfde gedragsregels, die op iedereen in gelijke mate van toepassing zijn. Daarmee worden de voorwaarden voor een collectief bestaan geschapen. Door dat te regelen gaan de Israëlieten elkaars lot delen. Als volk. Niet van bovenaf, maar van onderop.

Bouw tabernakel
Het leiderschap dat daarbij hoort voldoet aan minstens drie criteria:

– Dienend leiderschap. In de Bijbel presenteert goed leiderschap zich veelvuldig in de vorm van een herder, een hoeder, iemand die onderwijs geeft, in zijn rijkste vorm in de vorm van een zondebok „die de zonde van de wereld wegdraagt”. Geen militaire parade op je verjaardag, geen grootspraak dat de zon weer gaat schijnen. Lees Mattheüs 23 er nog eens op na. Daarin kwalificeert Jezus de kerkelijke leiders van die tijd. Niet mals. Het wordt daar heel duidelijke gemaakt: „De belangrijkste van jullie is diegenen die de anderen dient.”

– Vanaf de basis. Het moet gaan om het beschermen van de weduwe, de wees, de vreemdeling. Niet de eigen (machts)wensen van het bestuur staan voorop, maar het bieden van gerechtigheid. Heel Leviticus staat bomvol met wetgeving die grotendeels gericht is op het beschermen van de zwakkeren in de samenleving. Dat is waarin wijs bestuur zich kan onderscheiden.

– Participatie creëert verantwoordelijkheid. Betrek de mensen erbij. Sacks geeft er een mooi voorbeeld van: de bouw van de tabernakel (Exodus 25). God vraagt alle Israëlieten om daar een vrijwillige bijdrage aan te leveren. Naar vermogen. Op die manier wordt die tabernakel een geschenk van het volk, van iedereen. Maar nog belangrijker: God woont niet in een gebouw maar in de bouwers, niet in stenen maar in de hoofden, harten en zielen van mensen die zich aan Hem toewijden. Wat je zelf creëert maak je niet kapot, dat koester je. Dat geldt ook voor onze rechtsstaat. Inspirerend.

Verkiezingen
Laten we dankbaar zijn voor het land waarin we leven. Dankbaar voor de democratische rechtsstaat waarin we adem kunnen halen, vrijelijk ons geloof kunnen belijden. Een land waarin omgekeken wordt naar de zwakken. Dankbaar voor een land waarin geregeld vrije verkiezingen worden gehouden. Iets te vaak zelfs.

De leiders van politieke partijen zullen zich de komende maanden presenteren, ons om hun vertrouwen vragen. Wie kan mijn stem winnen? Ik zoek iemand die wil dienen. Natuurlijk zijn er grote thema’s en belangen, maar wie komt er op voor de weduwe, de wees en de vreemdeling? Ik ben immers zelf een vreemdeling op deze aarde. Wie plaatst mij in een positie dat ik mee kan doen, mee verantwoordelijkheid kan nemen, dat ik kan bijdragen aan het gevoel dat het daadwerkelijk ook mijn land is, dat het mijn problemen zijn. Er zijn mensen die passen in dat plaatje. Die mensen maken kans op mijn stem.

Mr. C.J.L. van Dam is voorzitter van de Onderzoeksraad voor Veiligheid en oud-lid van de Tweede Kamer voor het CDA. Hij hield op 17 juni een toespraak tijdens de residentiepauzedienst in de Waalse Kerk in Den Haag.

Wijs met genieten

Of u het nu wilde of niet; de laatste paar weken werd u bijna dagelijks geconfronteerd met nieuws over de paus. Eerst was dat rond het overlijden van paus Franciscus en daarna ging het dagenlang over zijn opvolger paus Leo XIV. In de berichtgeving over deze laatste paus, kreeg u ook wat mee over paus Leo XIII die met zijn encycliek De rerum novarum aan de wieg stond van katholiek sociaal denken.

Naast de vorige paus, heb ik voor mijn geloofsleven en dus ook voor het dagelijkse leven dat als het goed is daaruit volgt en dus ook voor mijn staan in de politiek, veel gehad aan paus Benedictus XVI. U kent hem  misschien van de zogeheten Jezusboeken. Als dogmatisch theoloog – toen nog geheten Joseph Ratzinger – schreef hij het boek De kern van het geloof.

Theologie van het Kruis versus Incarnatietheologie
In dit boek maakt Ratzinger een onderscheid tussen de Theologie van het Kruis en de Incarnatietheologie.

De Theologie van het kruis gaat uit van het oorspronkelijk getuigenis; de oudste uitingen van het christelijk geloof zoals te vinden is in de brieven van Paulus. De Theologie van het Kruis legt de nadruk op het onderscheid; de kloof tussen God en mens, ontstaan door de zondeval, die geheeld moet worden door de kruisdood van Jezus.

De Incarnatietheologie is – zo stelt Ratzinger – van jongere datum en is een verdere doordenking van de Theologie van het Kruis. Ze is met name te vinden bij Johannes. De evangelist Johannes verwoordt kernachtig in de epiloog van zijn evangelie de Incarnatietheologie: “het Woord is vlees geworden en Het heeft onder ons gewoond.” (Joh 1,14). Volgens Ratzinger gaat de Incarnatietheologie in de richting van een meer optimistische visie. Het aller voornaamste is niet dat de mens zondig is en gered moet worden; het reikt veel verder dan zo’n herstel van het verleden. Het moet gezocht worden in het benaderen van de volledige eenheid van God en mens. Daarentegen benadrukt de Theologie van het Kruis eerder de gebrokenheid van de mensheid; de zich vernieuwende en telkens weer optredende breuk in de zelfverzekerdheid en het zelfbewustzijn van de mens.

Volgens Ratzinger zijn deze twee richtingen in de christologie terug te vinden in de verschillende christelijke tradities. De Incarnatietheologie heeft, volgens hem, vooral de overhand in de katholieke overlevering van oost (Orthodoxie) en west (rooms-katholicisme). De Theologie van het Kruis is resoluut naar voren gekomen in het reformatorisch denken (met name bij Calvijn en Luther). Ratzinger benadrukt dat deze twee richtingen in de christologie fundamenteel in elkaars verlengde liggen: geen Incarnatietheologie zonder Theologie van het Kruis en omgekeerd. Deze  twee houdingen moeten uiteraard niet uit elkaar worden gespeeld, maar bij elkaar worden gedacht. Wel zijn de uitgangsposities anders: de Incarnatietheologie vertrekt vanuit het verbond tussen hemel en aarde; de Theologie van het Kruis vanuit een breuk die hersteld moest worden, De incarnatie nodigt zo uit tot een holistische visie op de werkelijkheid; een én-én benadering. Een visie die probeert tegengestelde zaken bij elkaar te houden. Als we de incarnatie serieus nemen verandert ons perspectief: want in het stoffelijke kan God present zijn.

Betekenis voor de teksten van vandaag

De Incarnatietheologie helpt mij om de woorden die we vandaag horen bij Prediker te verstaan. Want laten we eerlijk zijn: de woorden uit Prediker klinken ons wat vreemd in de oren. Ze roepen op om vooral te genieten van het hier en nu, te genieten van drank en eten. Klinkt dat niet wat al te hedonistisch? Toch zit er een diepere betekenis achter deze oproep. Om het wat provocerend te zeggen: genieten van het aardse is een uiting van ons geloof in de Incarnatie. God heeft deelgenomen aan ons menselijk, stoffelijk bestaan. Zo blijkt dat de mens en het lichamelijke bestaan ertoe doen. Maar let op: Incarnatietheologie is geen syncretisme! De Theologie van het Kruis vult haar aan. Het is zeker geen verabsoluteren van het aardse. Dit aardse wordt voltooid op het einde der tijden, wanneer God, alles in allen is. Dit is wijs zijn met genieten: het aardse op waarde schatten én tegelijkertijd het relativeren. Dit relativeren is niet bagatelliseren maar het aardse in relatie zien tot waar het uiteindelijk om draait.

Doorwerking in de politiek

Deze en-en houding helpt mij ook in de politiek. Sint-Ignatius van Loyola, de stichter van de Jezuïeten, zei eens: “Handel en werk alsof alles van jou alleen afhangt, en vertrouw en bidt tegelijk zo tot God, alsof alles van Hem alleen afhangt.” In onze werkzaamheden in de politiek probeer ik zo te handelen dat we de aarde en haar toekomst serieus nemen, met een holistische visie op de werkelijkheid. Paus Franciscus zegt het zo in zijn encycliek Laudato Si: “Een gevoel van innige verbondenheid met de andere wezens in de natuur kan niet echt zijn, als er tegelijkertijd in het hart geen tederheid, medeleven en bezorgdheid is voor de mens. De inconsequentie van degene die strijdt tegen de handel in dieren die dreigen uit te sterven, maar totaal onverschillig blijft voor mensenhandel, geen belangstelling heeft voor de armen of vastbesloten is een andere mens die hem niet aanstaat, te vernietigen, is duidelijk. Dat brengt de zin van de strijd voor het milieu in gevaar. Alles is met elkaar verbonden. Daarom is er een bezorgdheid voor het milieu vereist die verbonden is met een oprechte liefde voor de mens en een voortdurende inzet betreffende de problemen van de maatschappij.” (Laudato Si 91).

Onze politieke keuzes, onze zorg voor het milieu, en onze liefde voor de medemens zijn allemaal aspecten van deze verbondenheid. Het genieten van het aardse leven moet daarom gepaard gaan met een gevoel van verantwoordelijkheid en zorg voor de wereld om ons heen. Genieten van het aardse leven is een uiting van ons geloof in de Incarnatie, omdat het erkent dat God in het stoffelijke aanwezig kan zijn. Echter, het is wijs om dit genieten niet te verabsoluteren en ons bewust te blijven van de tijdelijke aard van ons bestaan en van het gegeven dat we allemaal onnutte dienstknechten zijn, levend uit Gods genade. Door een balans te vinden tussen vreugde en verantwoordelijkheid, kunnen we een holistische visie op de werkelijkheid ontwikkelen die zowel de goedheid van de schepping als de gebrokenheid van de mensheid erkent.

Drs. F.W.J. Holterhues is lid van de Eerste Kamer voor de ChristenUnie. Hij hield op 20 mei een toespraak tijdens de residentiepauzedienst in de Waalse Kerk in Den Haag.

Wijs met rijkdom

Echte rijkdom gaat om het geschenk van een opmerkzaam hart, waar koning Salomo om vroeg. Als we dat geschenk bewust aanvaarden, gaan we anders om met rijkdom en bezit en met onze minderbedeelde medemens. Het valt niet mee om te reflecteren op de vraag wanneer we in de politiek ”wijs met rijkdom” omgaan, zoals Prediker het verwoordt. Mijn ervaring is dat politici vaak vinden dat ze de wijsheid in pacht hebben. En ook dat het in de politiek bijna altijd over geld gaat. Ik ben in de Eerste Kamer onder andere lid van de commissie Financiën en woordvoerder voor het thema ”belastingen”. Rond het eind van het jaar, als het belastingplan in de Eerste Kamer wordt behandeld, stroomt mijn mailbox vol met brieven van personen en organisaties die allemaal minder belasting willen betalen. Dan herken ik ook wel wat Prediker zegt: „Wie van geld houdt, kan er geen genoeg van krijgen. Wie verzot op rijkdom is, is altijd op meer gewin belust. Ook dat is enkel leegte.” We houden niet alleen van geld, we streven ook naar steeds meer geld. Het hebben van geld geeft ons autonomie en vrijheid en we ontlenen er vaak ook maatschappelijke status aan. Daar staat tegenover dat we ook steeds afhankelijker worden van geld en bezittingen. En wie geld heeft, kent ook angst om het te verliezen. Rijkdom brengt eveneens verantwoordelijkheid met zich mee. En dat is de kern van mijn betoog.

Liefde en solidariteit

Franciscus van Assisi maakte in de vroege middeleeuwen een radicale keuze voor eenvoud, armoede, vrede en verbondenheid met alles wat leeft. In de franciscaner levensstijl gaat het om waarden als dienstbaarheid, zachtheid en mededogen. Franciscus volgde daarin het voorbeeld van Jezus, heel praktisch, via concrete daden van liefde en solidariteit.

Ik kan dat bewonderen. Maar zou ik dat kunnen opbrengen? Ik herken mij vaak meer in de rijke jongeman uit Mattheüs 19. Als Jezus hem vraagt om alles wat hij bezit aan de armen te geven en Hem te volgen, gaat hij verdrietig weg.

Prediker lijkt een uitweg te bieden: „Wanneer een mens geniet van rijkdom en bezit, is dat een geschenk van God” (Prediker 5:18). Toch heb ik het gevoel dat we daar niet zomaar mee wegkomen. In de politiek niet maar ook niet als mens.

Wereldwijd leven naar schatting 692 miljoen mensen in extreme armoede. Zij doen een appel op ons, bijvoorbeeld als we het in de Eerste Kamer hebben over de bezuinigingen op ontwikkelingssamenwerking. Maar ook in ons eigen land leven volgens de nieuwe armoededefinitie 540.000 mensen onder de armoedegrens. Zo’n 1,2 miljoen mensen zitten daar net iets boven, maar zijn extreem kwetsbaar.

Namens het CDA ben ik ook de woordvoerder voor sociale zaken en werkgelegenheid. Van de groepen mensen die voortdurend bestaansonzeker zijn, tref ik echter zelden post in mijn mailbox aan. Arme mensen hebben vaak niet de ingangen en de steunende netwerken die de rijken wel hebben.

Koninkrijk van God

Jezus zegt in Mattheüs 6:33: „Zoek eerst het Koninkrijk van God en Zijn gerechtigheid en al het andere zal u toegeworpen worden.” Die uitspraak brengt mij bij de vermoedelijke schrijver van het boek Prediker. Algemeen wordt aangenomen dat koning Salomo de auteur is. Hij is nog jong als hij koning wordt. God verschijnt aan hem in een droom en zegt: „Vraag wat je wilt dat ik je geef.” Salomo vraagt dan om „een opmerkzaam hart” (1 Koningen 3). Salomo zoekt eerst het Koninkrijk van God. En alles waar hij niet om gevraagd heeft, krijgt hij er gewoon bij cadeau.

Het is deze wijze koning Salomo die in Prediker 4:1 zegt: „Ik vestigde mijn aandacht op alle onderdrukking die er is onder de zon en zag de tranen van de onderdrukten. Er is niemand die hen bijstaat.”

Prediker heeft een opmerkzaam hart gekregen voor de pijn en de eenzaamheid van mensen die lijden onder onrecht. En hij merkt ook op dat de macht in handen ligt van onderdrukkers en dat de slachtoffers vaak niemand hebben die voor hen opkomt.

Bijbelse oproep

Rabbijn Jonathan Sacks stelt in zijn boek “Een gebroken wereld heel maken” dat het nodig is om opnieuw de nadruk te leggen op sociale verantwóórdelijkheid, omdat deze in onze tijd problematisch is geworden. Wat heb ik te maken met kinderen die in Sudan van de honger omkomen? Waarom zou mij het lot van de werklozen, de daklozen, de armen en de vluchtelingen in mijn eigen samenleving iets aangaan?

We zijn eraan gewend geraakt om dergelijke verantwoordelijkheden te delegeren aan overheden en in ruil daarvoor betalen we belasting. Zo, zegt Sacks, stellen we politiek in de plaats van ethiek, wet in plaats van morele verplichting en onpersoonlijke instellingen in plaats van persoonlijke betrokkenheid. Met als gevolg dat de ethiek ertoe neigt zich naar binnen te keren en eerder een zaak van persoonlijke keuze wordt dan van collectieve verantwoordelijkheid. Echter, wat mensen hebben gecreëerd, kunnen mensen rechtzetten. De Bijbel is Gods oproep tot menselijke verantwoordelijkheid, gericht aan ieder van ons: „Mens, waar ben je?”

Het christendemocratische mensbeeld gaat uit van mensen die verantwoordelijkheid kunnen en willen dragen, maar ook van mensen die als dat nodig is voor elkaar willen zorgen. De overheid moet de verantwoordelijkheid van elk mens respecteren (en aanmoedigen) en de diverse geledingen van de samenleving zoveel mogelijk in staat te stellen om verantwoordelijkheid te nemen. Niemand mag klem komen te zitten in een situatie waarin hij alleen maar kan ontvangen van anderen.

 

Eén daad tegelijk

„Wanneer een mens geniet van rijkdom en bezit, is dat een geschenk van God”, zegt Prediker. De rijkdom die ons geschonken wordt, zit mijns inziens niet in materiële zaken, hoewel Salomo daarvan ook best genoten zal hebben. Echte rijkdom gaat dieper. Die gaat om het geschenk van een opmerkzaam hart. Als we dat geschenk bewust aanvaarden, gaan we anders om met rijkdom en bezit.

We kunnen niet in één keer heel de wereld veranderen. Maar we kunnen wel degelijk iets tot stand brengen, één daad tegelijk, één dag tegelijk, één mens tegelijk. Sacks zegt dat treffend: „Eén daad kan een wereld van verschil maken. Eén ogenblik kan een leven rechtvaardigen.”

Het spoor dat we achterlaten in levens van anderen en dat zij op hun beurt weer in levens van anderen achterlaten, is de enige erfenis die het nalaten waard is.

Mr. dr. Janny Bakker is lid van de Eerste Kamer namens het CDA. Dit is haar toespraak tijdens de residentiepauzedienst op 15 april 2025.

Posted in CDA

Wijs omgaan met woorden is kern van politieke handwerk

Heel hartelijk dank voor het voorrecht om hier vandaag het woord tot u te richten. Dit terwijl ik geen dominee of theoloog of geleerde ben, maar slechts een eenvoudig politicus. Aan de andere kant is het boek van vandaag, Prediker naar verluid ook opgeschreven door een politicus, of in ieder geval iemand belast met het landsbestuur, zij het geen zeer recent en zoekend lid van het Nederlandse parlement, maar de koning van Israël, vermaard om zijn wijsheid.

Aan het begin van het debat in de Tweede Kamer krijgen we van de Kamervoorzitter het woord, en zeggen we: “voorzitter, dank voor het woord.”  Aan het begin van het evangelie van Johannes lezen we “in den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God.” Dat is Jezus. Ik bedacht me laatst: zo kan je ook een gebed beginnen: dank voor het woord – en dan danken we de eeuwige Voorzitter van de Schepping, voor het Woord in de persoon van zijn Zoon, die ons zichzelf heeft geschonken.

Want wij beschikken over de gave van het woord, de rede, onze vrije wil en zelfbewustzijn, omdat wij zijn geschapen naar het evenbeeld van God, iets van zijn wezen in ons dragen. Dat maakt dat wij niet alleen onderdeel zijn van de natuur maar ook deels erbuiten, of erboven, staan; we zijn niet alleen dingen, maar hebben ook een perspectief op de dingen. We zijn personen, in de wereld, maar niet alleen van de wereld, net als bijvoorbeeld de schoonheid van muziek. En met dat deel van ons, die vrije wil en rede, kunnen we op een mysterieuze manier deelnemen aan het goddelijke. En sinds ik ben gedoopt, nu iets meer dan tien jaar geleden, blijft het mij steeds treffen als iets wonderbaarlijks, dat wij ons met woorden letterlijk, hardop, of in stilte, kunnen richten tot die Schepper van Hemel en Aarde, tot God.

En je kunt God dus zelfs dingen beloven – zoals hier in deze lezing van vandaag. De prediker waarschuwt voor gebazel, loze, lege woorden. Wat is daar mis mee? Hier gaat het er denk ik om: je moet jezelf niet voor de gek houden. We moeten proberen de waarheid te spreken: tegen anderen, maar ook tegen onszelf. Bij een belofte aan jezelf, of aan God, gaat het erom wat je al hebt gezegd waar te maken. Eeuwenlang was dat – het zweren van een eed van trouw – het onmisbaar geachte fundament van de maatschappelijke orde. Zoals we ook nu nog zweren bij onze installatie in de Tweede Kamer. “Zo waarlijk helpe mij God almachtig.” Zo’n vast voornemen kan sterk maken, temidden van alle verleidingen.

Maar zo’n belofte doen zonder het vaste voornemen om die waar te maken, verzwakt ons. Daar waarschuwt deze tekst voor. Als je eenmaal je belofte hebt gebroken; de volgende keer wordt het alleen maar moeilijker. Het is een vorm van liegen tegen jezelf. Zoals Dostojewski schreef in de gebroeders Karamazov:

Lieg vooral niet tegen jezelf. 
De man die tegen zichzelf liegt
en naar zijn eigen leugen luistert, komt op een punt dat hij de waarheid in zichzelf
of om hem heen niet meer kan onderscheiden,
en verliest zo alle respect voor zichzelf en voor anderen.

En in de politiek?
Parlement komt van parler: praten. Wijs omgaan met woorden is dan ook de kern van het politieke handwerk en wat van ons wordt verwacht. Want het is met het woord dat wij proberen om orde te scheppen in de zee van ambtelijke stukken met al onze principes en idealen om een standpunt te formuleren en vervolgens uit te dragen. Het ritueel van de democratie is een ritueel van de rede, met het woord bijna als een soort sacrament, dat alleen met grote zorgvuldigheid mag worden toegediend. Mann muß einfach reden, aber kompliziert denken – zei de legendarische minister-president van Beieren Frans Joseph Strauss al – und nicht umgekehrt. Dat is onze opdracht: woorden zoeken die niet verhullen of verbloemen maar blootleggen en onthullen; die geen mist opwerpen, maar argumenten geven, in de uitoefening van praktische wijsheid.

Natuurlijk communiceer je in de politiek niet alleen met de andere sprekers maar ook met kijkers. En vaak is de kans dat je in een debat de ideologische tegenstander overtuigt is helaas in de praktijk nogal klein. Maar als je dat idee dat je elkaar wil overtuigen loslaat, wordt het hol. Als men zich in discussies niet meer beroept op argumenten, maar op emoties of macht of autoriteit, zakken we weg. Politiek die niet meer gericht is op overtuigen met argumenten, maar alleen op verdachtmaken of gretig veroordelen van anderen, die alleen gericht is op effect, wordt een leeg spektakel. Want alleen zoiets milds als een argument kan je blijven zoeken naar het verzoenen van die verschillende belangen en idealen. Met elkaar – maar ook, met de realiteit. En ook dat laatste is natuurlijk nogal vaak een uitdaging. En dan kunnen woorden ook anders worden gebruikt – niet om te overtuigen, maar juist om de werkelijkheid te verdraaien: een “spin” of “frame”. Een goede spin heeft altijd een kern van waarheid, maar vervormt die. We leven in een post-postmoderne samenleving.

Postmoderne filosofen vertelden ons dat woorden niet verwijzen naar waarheid, maar alleen een uitdrukking zijn van machtsstructuren. Het gevolg is dat een strijd kan worden gevoerd over woorden om die macht uit te oefenen over het denken: wie bepaalt welke woorden kunnen worden gebruikt, bepaalt wat kan worden gedacht. Dan gaat het niet om te zoeken om te begrijpen hoe de dingen zijn, maar om het scheppen van een “narratief.” En zo moeten we nu bewust zijn van pogingen om ons denken te bepalen – als wordt gesproken over gijzelaars die zijn “gestorven” terwijl ze zijn “vermoord” bijvoorbeeld. Of in de beslissing om het woord “moeder” te vervangen met “ouder uit wie een kind is geboren”, zoals in een recent wetsvoorstel wat gelukkig, dankzij de oplettendheid van de SGP, is rechtgezet.

Het zou goed zijn om daar iets tegenover te stellen, door stil te staan bij de oorsprong van het woord, en het doel ervan. Denken is niet alleen een soort biochemisch proces. Het doel van denken is waarheid. Niet alleen de eeuwige, maar ook de veranderlijke, praktische, dagelijkse realiteit. Slordig woordgebruik leidt tot slordig denken, tot slordig spreken, tot slordig handelen. Zeker in een tijd van verwarring, van kantelende wereldbeelden en wereldorde, zoals nu, is het een voortdurende, cruciale cultuurarbeid om de juiste woorden te kiezen, om goed te beschrijven en dus goed te begrijpen wat er eigenlijk allemaal gebeurt. Dat is aan politici, maar aan ons allemaal.

Daarvoor hoef je niet te bidden. Maar misschien helpt het wel. Alleen onder druk van een ontzaglijke transcendentie wordt onze persoonlijkheid compact en stevig genoeg om onderscheid te maken tussen dingen zoals ze zijn, en dingen zoals we willen dat ze zijn. Zonder God belanden we in het labyrint van ons eigen ego. Prediker herinnert ons eraan.

Daarbij wil ik afsluiten. Ik dank de Eeuwige, de voorzitter van de Schepping, voor het woord. Want u – en dat zijn woorden die mij, toen ik ze voor het eerst las, bleven nagalmen: U heeft woorden van eeuwig leven.

Diederik Boomsma is lid van de Tweede Kamer voor NSC. Dit is zijn toespraak tijdens de residentiepauzedienst op 18 maart 2025 in de Waalse Kerk in Den Haag.

Wijs met een onbegrepen God

Wij kunnen de Dirigent van het levensconcert wel degelijk kénnen

Een onbegrepen god als godsbeeld biedt vrijheid maar je bent daarmee geheel aan jezelf overgeleverd. De God van de Bijbel echter laat je niet als kaal individu in een leeg universum staan. Dat moet de overheid ook beseffen.

Een onbegrepen God. Dit is vandaag een vrij populair godsbeeld, als ik mij niet vergis. Een god die je niet scherp kunt omschrijven of typeren. Niet zomaar kunt plaatsen of definiëren. Van wie je ook niet zomaar kunt zeggen wat hij precies wil, voorstaat of van jou vraagt. Dat geeft ruimte voor een eigen invulling. Een onbegrepen god schept de mogelijkheid om hem te kneden en te vormen. Een god naar jouw eigen beeld, ten behoeve van jouw eigen project en persoonlijke behoeften.

Bijvoorbeeld een god die geen ruimte laat voor een eeuwig oordeel. En geen enkele intieme relatie of vorm van seksualiteit uitsluit. Welke keus jij ook maakt, jouw god gaat met je mee. De theoloog Reinhold Niebuhr omschreef dit godsbeeld ooit als „een God zonder woede die mensen zonder zonde brengt naar een koninkrijk zonder oordeel door de bemiddeling van een Christus zonder kruis”. En wee degene die over jouw godsbeeld een kritische vraag stelt. Geloven is immers een persoonlijke zoektocht.

Bekendgemaakt
Overigens kan dit godsbeeld in de behoudende flank van de kerk even goed functioneren. Een onbegrepen god met wie je het nooit zeker weet. Van wie je niet weet of hij echt jouw behoud op het oog heeft, terwijl je maar moet afwachten of zijn genadige oproepen ook voor jou gelden. Laat staan dat je zeker kunt zijn van de zaligheid. Ook dit godsbeeld geeft ons alle ruimte om de levende God van de Bijbel op afstand te houden. Sinds Genesis 3 zit dat bij ieder van ons er als vanzelf in, hoe orthodox we onszelf ook presenteren.

Gelukkig laat de God van de Bijbel Zich wel degelijk kennen. En hoe! Exodus 34: „HEERE, HEERE, God, barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid. Die de weldadigheid bewaart aan vele duizenden, Die de ongerechtigheid, en overtreding, en zonde vergeeft; Die de schuldige geenszins onschuldig houdt.”

En deze God heeft Zich in het bijzonder bekendgemaakt in Christus, tot op het kruishout, om verloren en schuldige mensen te redden. In die zin is er volstrekt geen sprake van een onbegrepen God.

Alles op zijn tijd
Deze God is echter wel Gód, de geheel Andere, Die al onze ideeën onder het oordeel plaatst. Kenmerkend voor de weg die God met mensen persoonlijk gaat, is dat die doorgaans het meest haaks staat op ons comfort. Het is een kruisweg.

Soms is Gods werk onmiskenbaar en kun je Zijn hand in de geschiedenis bijna tasten. Ik denk dan bijvoorbeeld aan het ontstaan van de Joodse staat Israël in 1948. Een Godswonder. Maar heel vaak past ons grote voorzichtigheid om Gods handelen precies na te rekenen.

We weten wel zeker, zegt Prediker 3:11, dat deze God alles op Zijn tijd mooi heeft gemaakt en de eeuw in ons hart heeft gelegd. „De eeuw in het hart gelegd”, een prachtige uitdrukking! Met voorbijgaan van alle exegetische moeilijkheden kun je twee dingen eenvoudig zeggen: de mens heeft besef van tijd en hij is bezig met de tijd.

Als we weten dat het besef van tijd hand in hand gaat met de boodschap dat alles er op zijn tijd moet zijn, zullen we om te beginnen weer meer liefde moeten hebben voor ritme en regelmaat. Het ritme van werken en rusten, rusten en werken. Een tijd om de longen uit je lijf te werken en een tijd om op te ademen. Een tijd om gezamenlijk onze christelijke feesten te blijven vieren. De filosoof Marli Huijer vroeg zich af of we niet een ministerie van tijdsordening nodig hebben, naast dat van ruimtelijke ordening. Dat is helemaal zo’n gekke gedachte niet.

Waarden en tradities
Er leeft en gromt echter iets in onze tijd waardoor we die richting nog zeker niet in lijken te gaan. Want wat moeten we met onze tijd als we als kaal individu in een leeg universum staan? En wat doen we met de vele dingen die we niet begrijpen –ook het werk van God niet– en de zinloosheid die ons soms aangrijnst? Gaan we door die schrik onbewust steeds harder op de loop? Halen we daarom alles uit de kast om de tijd te doden?

Hier staat de overheid duidelijk met lege handen. Zij kan burgers niet werkelijk vervullen en verlossen. Het is daarom tijd dat de kerken hun deuren en harten openen. Tijd en ruimte bieden om God te ontmoeten. En laat de overheid dan vooral niet doen alsof die aanwezigheid alleen maar achter de voordeur een plek mag krijgen. Ook het publieke domein roept om een hoopvolle boodschap die verder strekt dan de kale moraal van het individu. We snakken naar een correctie op de seculiere tijd.

Het is echt te hopen en te bidden dat overheden ook iets meer van de eeuw in hun hart krijgen. Dat ze besef hebben en krijgen van waarden en tradities die de tijd hebben doorstaan. Barmhartigheid, gerechtigheid, liefde. Werkelijke vrijheid en bescherming van het leven. Oog voor wat vertrapt dreigt te worden. Voor diegenen voor wie de tijd buiten de baarmoeder nog moet beginnen en voor hen die bijna uit de tijd zijn. Oog voor de christelijke cultuur en traditie.

Wonderlijk genoeg rekenen alle overheden op aarde ondanks de secularisatie nog steeds met God. Onze tijd draait nog steeds om de geboorte van Christus. Volgens de Bijbel was dat hét moment van de geschiedenis, het moment dat de tijd gevuld werd. De hervormde theoloog A.A. van Ruler zei het ontroerend: „God heeft tijd voor ons gehad, het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond.” Christus is de zin van de geschiedenis.

Vrolijke wetenschap
„Van het concert des levens krijgt niemand het program”, zo zei men vroeger. Een wat mistroostige opmerking. Immers, wij kennen wél de Dirigent van dit levensconcert. Wij kunnen deze God wel degelijk kénnen. Wie de Zoon gezien heeft, heeft de Vader gezien. Met die vrolijke wetenschap in ons hart kunnen we de tijd weer in en kunnen we de tijd weer aan. Hoe seculier die vandaag ook mag zijn. Want alle dingen hebben tijd, maar Gods liefde heeft eeuwigheid.

Diederik van Dijk is lid van de Tweede Kamer voor de SGP. Dit is zijn toespraak tijdens de residentiepauzedienst op 18 februari 2025 in de Waalse Kerk in Den Haag.

 

 

Meditatie Wijs met een onbegrepen God

Meditatief woord over Prediker 3:11m ‘Ook heeft Hij de eeuw in hun hart gelegd’, door ds. dr. Barend H. Weegink (Oude Kerk Scheveningen) in de residentie pauzedienst op dinsdag 18 februari 2025 om 12.30 u. in de Waalse Kerk aan het Noordeinde in Den Haag.

Beste aanwezigen,

Het is de tweede keer dat we het jaarthema over ‘wijsheid’ gebruiken. We lazen daarnet een gedeelte uit Prediker 3, ‘Wijs met een onbegrepen God’. Het volgt op die bekende verzen – over een tijd om te baren en te sterven, te beminnen en te haten, te spreken en te zwijgen… Ze maken ons duidelijk dat alle dingen hun bestemde tijd en beloop hebben. Je moet ze over je heen laten komen, geen mens kan het vervroegen of verhaasten.

Kernachtig wordt dit uitgedrukt in het 11e vers, waar staat dat God alles wat er is, de goede plaats in de tijd heeft gegeven. En we lezen daar ook dat Hij de mensenkinderen de eeuw in het hart heeft gelegd. Andere vertalingen parafraseren dat: God heeft de mens besef van tijd of besef van duur ingegeven. En daarmee is het speelveld van de mens afgebakend: God is in de hemel en wij mensen zijn op aarde. Wij worden bezocht met vergankelijkheid; weet dus je plaats.

De eeuw in het hart gelegd… een typische uitdrukking. Met de Kanttekenaars bij de Statenvertaling leggen we dit in eerste instantie uit als een aangeboren verlangen van de mens: hij wil om zich heen kijken en nadenken en onderzoeken wat geweest is, de eeuwen en tijden bezien om een duiding te geven aan datgene wat daarin gebeurd is. En… wat ook bij die ‘eeuw in het hart’ hoort is een beetje nattevingerwerk: een mens wil aanvoelen wat het morgen wordt, wat je hoopt of wat je vreest en wat je verwachten kunt.

Het is een afmattende bezigheid. Prediker gebruikt het woord vermoeienis meer dan eens. Je kunt droefgeestig van de dingen worden. Je speurt naar piekmomenten, maar ziet vaak dalen. En voor jezelf het boek der gedachtenissen openslaan, het verleden in de herinnering roept, dat kan soms zo pijnlijk zijn. Het gras in je jeugd was groener dan nu. In het besef van tijd zit iets van ‘wij vliegen heen’, we zijn een handbreedte, een ademtocht, en bij dat alles gloort er ook iets van herinnering en heimwee naar de volmaaktheid; het gras was zo groen…

Om bij de huidige tijd te blijven: Nog vers in het geheugen ligt de januaridag waarop de nieuwe president van Amerika zijn veelbelovende inauguratietoespraak hield. Nadat hij het deel der ellende, onder zijn voorganger aangericht, had gememoreerd, verwoordde hij dat de tijd van grote dingen voor de USA was aangebroken. ‘Golden age’, gouden tijdperk, of Gouden Eeuw zoals wij dat graag uit Hollands glorie noemen. Doorgaans is dat een bloeiperiode voor economie en rijkdom, welvaart en cultuur. Met ‘eeuw’ is dan niet zozeer een periode van exact honderd jaar bedoeld, maar een aaneengesloten tijdperk waarin alles excelleert en dat hopelijk lang voortduurt.

Ondertussen zitten we met die óp het hart gelegde ‘eeuw van Europa’ wel heel erg knel. Gisteren was er crisisoverleg van de EU in Parijs over hoe het verder moet met de wereld. En vandaag beginnen in Saoedi-Arabië de besprekingen tussen de grote machten Amerika en Rusland over een geknechte Oekraïne. Wij doen niet eens mee, als bondgenoten zijn we eruit gebonjourd. De oude, Latijnse bijbelvertaling Vulgata zag het wel heel goed: de in het hart gelegde ‘eeuw’ wordt daar met ‘mundus’, wereld vertaald. Om Guido Gezelle te citeren: ‘de wéreld wil mij achterna, alwaar ik ga of sta of ooit mijn ogen sla; en arm als ik en is er geen’…

Gisteren luisterde ik naar het lied van Leonard Cohen ‘There is a crack in everything – that’s how the light gets in’. Er zit een barst in alles, en alleen door de spleet kan het licht binnenkomen. Ik vond de verwijzing naar die song in de rouwadvertentie van een Amsterdamse collega, die erg met toekomst en vrede bezig was en zo graag een beetje licht wilde doorlaten. Daaronder had hij uit Psalm 119 laten zetten: ‘Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht op mijn pad’. ‘A crack in everything’… In de wankelbare wereld waarin de panelen schuiven en de tonelen wisselen, kunnen we de ware gelukzaligheid niet vinden. Dat is de les: door donker naar licht, door lijden naar heerlijkheid. We moeten naar God toe, en naar Jezus, ‘die bad op ene berg alleen’, zoals Gezelle dichtte en die mij, arme dwaas, ‘die nood hebbe en niet klagen kan; die honger, en niet vragen kan; die pijne, en niet gewagen kan hoe zeer het doet!’ moge leren ‘hoe dat ik bidden moet’.

De eeuw in het hart gelegd… De Kanttekenaars wijzen nog op die andere vertaalmogelijkheid. Je zou ook ‘de eeuwigheid’ mogen lezen. Het is God de Here, die de geschiedenis regeert. Hoe, dat begrijpen wij niet, want de Here in het glorielicht gaat ver boven ons uit en wij staan onder Hem. Hij heeft ons ‘de eeuwigheid’ in het hart gelegd; zo staat het in de Naardense Bijbel van Pieter Oussoren gezegd. God heeft ons met een eeuwigheidsgedachte geschapen. Zijn we niet zo dat er iets van herinnering daagt aan het paradijs? Een verlangen, een hang naar God en naar Zijn eeuwigheid? De meeste mensen zijn op een of andere wijze religieus. Er is de taal van het hart, dat zijn redenen heeft die het verstand niet kent, aldus Blaise Pascal. Al eerder, in de eerste alinea van de Confessiones (Belijdenissen) van Augustinus wordt de verhouding tussen God en mens samengevat: ‘Gij, o God, zet de mens aan om er vreugde in te vinden U te loven, want Gij hebt ons gemaakt naar U, en rusteloos blijft ons hart totdat het zijn rust vindt in U’.

Onrust is vaak een negatieve ervaring die het moderne westerse leven kenmerkt. We missen een vast punt waaraan ons innerlijk kompas zich kan oriënteren. Haast en stress gaan dikwijls samen met welvaart en overvloed. Rust gaat verder dan de materiële situatie. In de christelijke traditie rust de mens niet in zichzelf; hij blijft van God afhankelijk, ook wat betreft zijn rust en geluk. Het eeuwigheidsverlangen reikt verder dan de horizon van onze materiële wereld.

Iets van het duale, dubbele van de tijd, het paradoxale moet erin. Niet alles op de kaart van het hier en nu. Er is meer dan dat de volkeren woeden en de natiën zinnen op ijdelheid, er is meer dan het nieuws en de waan van de dag. Er is de onbegrepen God, van het boventijdse leven. Hij doet ‘zonder dat de mens het werk dat God gedaan heeft, van het begin tot het eind kan doorgronden’, aldus Prediker. Hij zit niet aan ons draadje, wij hangen aan de koorde van Hem. Begrijpen doen we Hem niet. En nochtans is het zo: God de Here regeert, vrees Hem en houd Zijn geboden.

‘Wijs zijn met een onbegrepen God’, is ons thema. Dat is niet: de onbekende God, en zeker niet: de onbetrouwbare God. Maar de God en Vader van onze Here Jezus Christus die ons in een punt des tijds, kairos i.p.v. chronos, het heil schonk in Zijn Zoon. De God tot Wie we mogen leren zeggen: ‘mijn tijden zijn in Uw hand’. Die in de Zaligmaker gisteren en heden Dezelfde betrouwbare is en tot in eeuwigheid. Hij heeft de eeuw van de wereld op ons hart gelegd en het eeuwigheidsverlangen in ons hart. De oude eeuw schuift naar het einde, de wereld met haar begeerte gaat voorbij (1 Joh.2:17). Maar we geloven en verwachten het leven van de ‘toekomende eeuw’, ik citeerde de 1700 jaar oude belijdenis van Nicea. De komende eeuw schuift straks over de oude bedeling heen. Laten we Gods heil kennen. Daar voorbij die horizon is het mooiste. Waar het hekje tussen dit leven en het eeuwig leven precies zit, is moeilijk te zeggen. Het is immers al eeuwigheid. En het wordt de volle eeuwigheid als we – op zijn Twents, mijn bakermat: ‘oet de tied’ – uit de tijd zijn. Wat ons heen stuwt is de ‘enige troost in leven en sterven’.

U kent toch de blikrichting van de Heidelbergse Catechismus: Dat ik met lichaam en ziel het eigendom ben van mijn trouwe Heiland Jezus Christus, die met Zijn kostbaar bloed voor al mijn zonden volkomen betaald heeft en mij uit alle heerschappij van de duivel verlost. En die mij door Zijn Heilige Geest ook zekerheid van het eeuwige leven geeft. En die mij van harte bereid maakt om voortaan voor Hem te leven. Amen.