Wijs met een goed bestuur

Wie kan mijn stem winnen? Ik zoek iemand die wil dienen. Natuurlijk zijn er grote thema’s en belangen, maar wie komt er op voor de weduwe, de wees en de vreemdeling? Ik ben immers zelf een vreemdeling op deze aarde.

Waarom worden we eigenlijk bestuurd? Waarom hebben wij zo’n enorme behoefte aan koningen, premiers, wethouders en synodevoorzitters? Zouden we niet voldoende hebben aan enkel de leiding van God dan wel Zijn geboden? Zoals mijn geschiedenisleraar op de middelbare school altijd zei: „Bij de SGP hebben ze nooit een verkiezingsprogramma nodig, ze kunnen gewoon de Bijbel open slaan.”

In de Bijbel komen we op diverse plekken de niet te stuiten wens van het volk Israël tegen om zich te voorzien van aardse leiders en heersers. In Samuël 1 lezen we dat het volk een koning wil. Ze hebben al een Koning in de hemel, maar ze willen ook een koning op aarde. Samuël probeert de Israëlieten ervan af te houden, door hun voor te spiegelen wat zo’n koning allemaal van het volk vraagt: „Hij zal jullie zonen dwingen om soldaat te worden. Weer anderen moeten op zijn land werken en zijn koren maaien. De koning zal jullie dochters dwingen om voor hem te werken.” Maar het volk wil niet luisteren.

De behoefte om achter iemand aan te lopen, iemand boven ons te hebben, om bestuurd te worden, is diep in ons geworteld. Kennelijk hebben we niet genoeg aan alleen onszelf of enkel aan God. En we zijn als mensheid bereid daar ver in te gaan.

”Sterke leider”
De Raad van State berekent in zijn meest recente jaarverslag dat anno 2024 29 procent van de wereldbevolking in een democratie leeft en liefst 71 procent in een autocratie. Een autocratie is een staatsvorm waarin de macht in belangrijke mate geconcentreerd is bij één persoon of college en er geen of verminderd sprake is van open en vrije verkiezingen, bescherming van fundamentele rechten en onpartijdige rechtspraak. Reken maar dat de macht daar allereerst aan zichzelf denkt.

Het aantal autocratieën is de laatste tien jaar fors gestegen. Ook in eigen land ziet de Raad deze tendens: uit het Nationaal Kiezersonderzoek 2024 blijkt dat een derde van de kiezers het land wel zou willen toevertrouwen aan een ”sterke leider”, ook als die soms de regels naar zijn (of haar?) hand zou zetten. In september 2024 bleek uit IPSOS-onderzoek dat veel kiezers bereid waren om tijdelijk het parlement buitenspel te zetten om vergaande asielmaatregelen door te kunnen voeren. De noodwet. Inmiddels gelukkig van tafel. Maar we zijn qua autonomie en vrijheid bereid ver te gaan, ook wij koele Nederlanders, als de problemen op het vlak van wonen, stikstof, asiel en oorlog te dicht bij ons komen.

Exodus
Terug naar de vraag waarom wij ons zo graag laten besturen. De voormalige Londense opperrabbijn Jonathan Sacks besteedt in zijn bespreking van het boek Exodus aandacht aan die behoefte aan wereldlijke staatsvorming en leiding. Er moet van alles opgebouwd worden, zowel individueel als qua gemeenschap.

Sacks legt uit dat je, wil je de Goddelijke opdracht op aarde laten landen, meer dan een verzameling eenlingen moet zijn. Je moet dan met elkaar afspraken maken over wat die hemelse gerechtigheid, de menselijke waardigheid, vrede (in voorkomende gevallen oorlog) en welzijn voor de armen praktisch inhouden. Je moet wetten maken waarbij de sterken en de zwakken, de machtigen en de machtelozen onderworpen worden aan dezelfde gedragsregels, die op iedereen in gelijke mate van toepassing zijn. Daarmee worden de voorwaarden voor een collectief bestaan geschapen. Door dat te regelen gaan de Israëlieten elkaars lot delen. Als volk. Niet van bovenaf, maar van onderop.

Bouw tabernakel
Het leiderschap dat daarbij hoort voldoet aan minstens drie criteria:

– Dienend leiderschap. In de Bijbel presenteert goed leiderschap zich veelvuldig in de vorm van een herder, een hoeder, iemand die onderwijs geeft, in zijn rijkste vorm in de vorm van een zondebok „die de zonde van de wereld wegdraagt”. Geen militaire parade op je verjaardag, geen grootspraak dat de zon weer gaat schijnen. Lees Mattheüs 23 er nog eens op na. Daarin kwalificeert Jezus de kerkelijke leiders van die tijd. Niet mals. Het wordt daar heel duidelijke gemaakt: „De belangrijkste van jullie is diegenen die de anderen dient.”

– Vanaf de basis. Het moet gaan om het beschermen van de weduwe, de wees, de vreemdeling. Niet de eigen (machts)wensen van het bestuur staan voorop, maar het bieden van gerechtigheid. Heel Leviticus staat bomvol met wetgeving die grotendeels gericht is op het beschermen van de zwakkeren in de samenleving. Dat is waarin wijs bestuur zich kan onderscheiden.

– Participatie creëert verantwoordelijkheid. Betrek de mensen erbij. Sacks geeft er een mooi voorbeeld van: de bouw van de tabernakel (Exodus 25). God vraagt alle Israëlieten om daar een vrijwillige bijdrage aan te leveren. Naar vermogen. Op die manier wordt die tabernakel een geschenk van het volk, van iedereen. Maar nog belangrijker: God woont niet in een gebouw maar in de bouwers, niet in stenen maar in de hoofden, harten en zielen van mensen die zich aan Hem toewijden. Wat je zelf creëert maak je niet kapot, dat koester je. Dat geldt ook voor onze rechtsstaat. Inspirerend.

Verkiezingen
Laten we dankbaar zijn voor het land waarin we leven. Dankbaar voor de democratische rechtsstaat waarin we adem kunnen halen, vrijelijk ons geloof kunnen belijden. Een land waarin omgekeken wordt naar de zwakken. Dankbaar voor een land waarin geregeld vrije verkiezingen worden gehouden. Iets te vaak zelfs.

De leiders van politieke partijen zullen zich de komende maanden presenteren, ons om hun vertrouwen vragen. Wie kan mijn stem winnen? Ik zoek iemand die wil dienen. Natuurlijk zijn er grote thema’s en belangen, maar wie komt er op voor de weduwe, de wees en de vreemdeling? Ik ben immers zelf een vreemdeling op deze aarde. Wie plaatst mij in een positie dat ik mee kan doen, mee verantwoordelijkheid kan nemen, dat ik kan bijdragen aan het gevoel dat het daadwerkelijk ook mijn land is, dat het mijn problemen zijn. Er zijn mensen die passen in dat plaatje. Die mensen maken kans op mijn stem.

Mr. C.J.L. van Dam is voorzitter van de Onderzoeksraad voor Veiligheid en oud-lid van de Tweede Kamer voor het CDA. Hij hield op 17 juni een toespraak tijdens de residentiepauzedienst in de Waalse Kerk in Den Haag.

Wijs met genieten

Of u het nu wilde of niet; de laatste paar weken werd u bijna dagelijks geconfronteerd met nieuws over de paus. Eerst was dat rond het overlijden van paus Franciscus en daarna ging het dagenlang over zijn opvolger paus Leo XIV. In de berichtgeving over deze laatste paus, kreeg u ook wat mee over paus Leo XIII die met zijn encycliek De rerum novarum aan de wieg stond van katholiek sociaal denken.

Naast de vorige paus, heb ik voor mijn geloofsleven en dus ook voor het dagelijkse leven dat als het goed is daaruit volgt en dus ook voor mijn staan in de politiek, veel gehad aan paus Benedictus XVI. U kent hem  misschien van de zogeheten Jezusboeken. Als dogmatisch theoloog – toen nog geheten Joseph Ratzinger – schreef hij het boek De kern van het geloof.

Theologie van het Kruis versus Incarnatietheologie
In dit boek maakt Ratzinger een onderscheid tussen de Theologie van het Kruis en de Incarnatietheologie.

De Theologie van het kruis gaat uit van het oorspronkelijk getuigenis; de oudste uitingen van het christelijk geloof zoals te vinden is in de brieven van Paulus. De Theologie van het Kruis legt de nadruk op het onderscheid; de kloof tussen God en mens, ontstaan door de zondeval, die geheeld moet worden door de kruisdood van Jezus.

De Incarnatietheologie is – zo stelt Ratzinger – van jongere datum en is een verdere doordenking van de Theologie van het Kruis. Ze is met name te vinden bij Johannes. De evangelist Johannes verwoordt kernachtig in de epiloog van zijn evangelie de Incarnatietheologie: “het Woord is vlees geworden en Het heeft onder ons gewoond.” (Joh 1,14). Volgens Ratzinger gaat de Incarnatietheologie in de richting van een meer optimistische visie. Het aller voornaamste is niet dat de mens zondig is en gered moet worden; het reikt veel verder dan zo’n herstel van het verleden. Het moet gezocht worden in het benaderen van de volledige eenheid van God en mens. Daarentegen benadrukt de Theologie van het Kruis eerder de gebrokenheid van de mensheid; de zich vernieuwende en telkens weer optredende breuk in de zelfverzekerdheid en het zelfbewustzijn van de mens.

Volgens Ratzinger zijn deze twee richtingen in de christologie terug te vinden in de verschillende christelijke tradities. De Incarnatietheologie heeft, volgens hem, vooral de overhand in de katholieke overlevering van oost (Orthodoxie) en west (rooms-katholicisme). De Theologie van het Kruis is resoluut naar voren gekomen in het reformatorisch denken (met name bij Calvijn en Luther). Ratzinger benadrukt dat deze twee richtingen in de christologie fundamenteel in elkaars verlengde liggen: geen Incarnatietheologie zonder Theologie van het Kruis en omgekeerd. Deze  twee houdingen moeten uiteraard niet uit elkaar worden gespeeld, maar bij elkaar worden gedacht. Wel zijn de uitgangsposities anders: de Incarnatietheologie vertrekt vanuit het verbond tussen hemel en aarde; de Theologie van het Kruis vanuit een breuk die hersteld moest worden, De incarnatie nodigt zo uit tot een holistische visie op de werkelijkheid; een én-én benadering. Een visie die probeert tegengestelde zaken bij elkaar te houden. Als we de incarnatie serieus nemen verandert ons perspectief: want in het stoffelijke kan God present zijn.

Betekenis voor de teksten van vandaag

De Incarnatietheologie helpt mij om de woorden die we vandaag horen bij Prediker te verstaan. Want laten we eerlijk zijn: de woorden uit Prediker klinken ons wat vreemd in de oren. Ze roepen op om vooral te genieten van het hier en nu, te genieten van drank en eten. Klinkt dat niet wat al te hedonistisch? Toch zit er een diepere betekenis achter deze oproep. Om het wat provocerend te zeggen: genieten van het aardse is een uiting van ons geloof in de Incarnatie. God heeft deelgenomen aan ons menselijk, stoffelijk bestaan. Zo blijkt dat de mens en het lichamelijke bestaan ertoe doen. Maar let op: Incarnatietheologie is geen syncretisme! De Theologie van het Kruis vult haar aan. Het is zeker geen verabsoluteren van het aardse. Dit aardse wordt voltooid op het einde der tijden, wanneer God, alles in allen is. Dit is wijs zijn met genieten: het aardse op waarde schatten én tegelijkertijd het relativeren. Dit relativeren is niet bagatelliseren maar het aardse in relatie zien tot waar het uiteindelijk om draait.

Doorwerking in de politiek

Deze en-en houding helpt mij ook in de politiek. Sint-Ignatius van Loyola, de stichter van de Jezuïeten, zei eens: “Handel en werk alsof alles van jou alleen afhangt, en vertrouw en bidt tegelijk zo tot God, alsof alles van Hem alleen afhangt.” In onze werkzaamheden in de politiek probeer ik zo te handelen dat we de aarde en haar toekomst serieus nemen, met een holistische visie op de werkelijkheid. Paus Franciscus zegt het zo in zijn encycliek Laudato Si: “Een gevoel van innige verbondenheid met de andere wezens in de natuur kan niet echt zijn, als er tegelijkertijd in het hart geen tederheid, medeleven en bezorgdheid is voor de mens. De inconsequentie van degene die strijdt tegen de handel in dieren die dreigen uit te sterven, maar totaal onverschillig blijft voor mensenhandel, geen belangstelling heeft voor de armen of vastbesloten is een andere mens die hem niet aanstaat, te vernietigen, is duidelijk. Dat brengt de zin van de strijd voor het milieu in gevaar. Alles is met elkaar verbonden. Daarom is er een bezorgdheid voor het milieu vereist die verbonden is met een oprechte liefde voor de mens en een voortdurende inzet betreffende de problemen van de maatschappij.” (Laudato Si 91).

Onze politieke keuzes, onze zorg voor het milieu, en onze liefde voor de medemens zijn allemaal aspecten van deze verbondenheid. Het genieten van het aardse leven moet daarom gepaard gaan met een gevoel van verantwoordelijkheid en zorg voor de wereld om ons heen. Genieten van het aardse leven is een uiting van ons geloof in de Incarnatie, omdat het erkent dat God in het stoffelijke aanwezig kan zijn. Echter, het is wijs om dit genieten niet te verabsoluteren en ons bewust te blijven van de tijdelijke aard van ons bestaan en van het gegeven dat we allemaal onnutte dienstknechten zijn, levend uit Gods genade. Door een balans te vinden tussen vreugde en verantwoordelijkheid, kunnen we een holistische visie op de werkelijkheid ontwikkelen die zowel de goedheid van de schepping als de gebrokenheid van de mensheid erkent.

Drs. F.W.J. Holterhues is lid van de Eerste Kamer voor de ChristenUnie. Hij hield op 20 mei een toespraak tijdens de residentiepauzedienst in de Waalse Kerk in Den Haag.

Wijs met rijkdom

Echte rijkdom gaat om het geschenk van een opmerkzaam hart, waar koning Salomo om vroeg. Als we dat geschenk bewust aanvaarden, gaan we anders om met rijkdom en bezit en met onze minderbedeelde medemens. Het valt niet mee om te reflecteren op de vraag wanneer we in de politiek ”wijs met rijkdom” omgaan, zoals Prediker het verwoordt. Mijn ervaring is dat politici vaak vinden dat ze de wijsheid in pacht hebben. En ook dat het in de politiek bijna altijd over geld gaat. Ik ben in de Eerste Kamer onder andere lid van de commissie Financiën en woordvoerder voor het thema ”belastingen”. Rond het eind van het jaar, als het belastingplan in de Eerste Kamer wordt behandeld, stroomt mijn mailbox vol met brieven van personen en organisaties die allemaal minder belasting willen betalen. Dan herken ik ook wel wat Prediker zegt: „Wie van geld houdt, kan er geen genoeg van krijgen. Wie verzot op rijkdom is, is altijd op meer gewin belust. Ook dat is enkel leegte.” We houden niet alleen van geld, we streven ook naar steeds meer geld. Het hebben van geld geeft ons autonomie en vrijheid en we ontlenen er vaak ook maatschappelijke status aan. Daar staat tegenover dat we ook steeds afhankelijker worden van geld en bezittingen. En wie geld heeft, kent ook angst om het te verliezen. Rijkdom brengt eveneens verantwoordelijkheid met zich mee. En dat is de kern van mijn betoog.

Liefde en solidariteit

Franciscus van Assisi maakte in de vroege middeleeuwen een radicale keuze voor eenvoud, armoede, vrede en verbondenheid met alles wat leeft. In de franciscaner levensstijl gaat het om waarden als dienstbaarheid, zachtheid en mededogen. Franciscus volgde daarin het voorbeeld van Jezus, heel praktisch, via concrete daden van liefde en solidariteit.

Ik kan dat bewonderen. Maar zou ik dat kunnen opbrengen? Ik herken mij vaak meer in de rijke jongeman uit Mattheüs 19. Als Jezus hem vraagt om alles wat hij bezit aan de armen te geven en Hem te volgen, gaat hij verdrietig weg.

Prediker lijkt een uitweg te bieden: „Wanneer een mens geniet van rijkdom en bezit, is dat een geschenk van God” (Prediker 5:18). Toch heb ik het gevoel dat we daar niet zomaar mee wegkomen. In de politiek niet maar ook niet als mens.

Wereldwijd leven naar schatting 692 miljoen mensen in extreme armoede. Zij doen een appel op ons, bijvoorbeeld als we het in de Eerste Kamer hebben over de bezuinigingen op ontwikkelingssamenwerking. Maar ook in ons eigen land leven volgens de nieuwe armoededefinitie 540.000 mensen onder de armoedegrens. Zo’n 1,2 miljoen mensen zitten daar net iets boven, maar zijn extreem kwetsbaar.

Namens het CDA ben ik ook de woordvoerder voor sociale zaken en werkgelegenheid. Van de groepen mensen die voortdurend bestaansonzeker zijn, tref ik echter zelden post in mijn mailbox aan. Arme mensen hebben vaak niet de ingangen en de steunende netwerken die de rijken wel hebben.

Koninkrijk van God

Jezus zegt in Mattheüs 6:33: „Zoek eerst het Koninkrijk van God en Zijn gerechtigheid en al het andere zal u toegeworpen worden.” Die uitspraak brengt mij bij de vermoedelijke schrijver van het boek Prediker. Algemeen wordt aangenomen dat koning Salomo de auteur is. Hij is nog jong als hij koning wordt. God verschijnt aan hem in een droom en zegt: „Vraag wat je wilt dat ik je geef.” Salomo vraagt dan om „een opmerkzaam hart” (1 Koningen 3). Salomo zoekt eerst het Koninkrijk van God. En alles waar hij niet om gevraagd heeft, krijgt hij er gewoon bij cadeau.

Het is deze wijze koning Salomo die in Prediker 4:1 zegt: „Ik vestigde mijn aandacht op alle onderdrukking die er is onder de zon en zag de tranen van de onderdrukten. Er is niemand die hen bijstaat.”

Prediker heeft een opmerkzaam hart gekregen voor de pijn en de eenzaamheid van mensen die lijden onder onrecht. En hij merkt ook op dat de macht in handen ligt van onderdrukkers en dat de slachtoffers vaak niemand hebben die voor hen opkomt.

Bijbelse oproep

Rabbijn Jonathan Sacks stelt in zijn boek “Een gebroken wereld heel maken” dat het nodig is om opnieuw de nadruk te leggen op sociale verantwóórdelijkheid, omdat deze in onze tijd problematisch is geworden. Wat heb ik te maken met kinderen die in Sudan van de honger omkomen? Waarom zou mij het lot van de werklozen, de daklozen, de armen en de vluchtelingen in mijn eigen samenleving iets aangaan?

We zijn eraan gewend geraakt om dergelijke verantwoordelijkheden te delegeren aan overheden en in ruil daarvoor betalen we belasting. Zo, zegt Sacks, stellen we politiek in de plaats van ethiek, wet in plaats van morele verplichting en onpersoonlijke instellingen in plaats van persoonlijke betrokkenheid. Met als gevolg dat de ethiek ertoe neigt zich naar binnen te keren en eerder een zaak van persoonlijke keuze wordt dan van collectieve verantwoordelijkheid. Echter, wat mensen hebben gecreëerd, kunnen mensen rechtzetten. De Bijbel is Gods oproep tot menselijke verantwoordelijkheid, gericht aan ieder van ons: „Mens, waar ben je?”

Het christendemocratische mensbeeld gaat uit van mensen die verantwoordelijkheid kunnen en willen dragen, maar ook van mensen die als dat nodig is voor elkaar willen zorgen. De overheid moet de verantwoordelijkheid van elk mens respecteren (en aanmoedigen) en de diverse geledingen van de samenleving zoveel mogelijk in staat te stellen om verantwoordelijkheid te nemen. Niemand mag klem komen te zitten in een situatie waarin hij alleen maar kan ontvangen van anderen.

 

Eén daad tegelijk

„Wanneer een mens geniet van rijkdom en bezit, is dat een geschenk van God”, zegt Prediker. De rijkdom die ons geschonken wordt, zit mijns inziens niet in materiële zaken, hoewel Salomo daarvan ook best genoten zal hebben. Echte rijkdom gaat dieper. Die gaat om het geschenk van een opmerkzaam hart. Als we dat geschenk bewust aanvaarden, gaan we anders om met rijkdom en bezit.

We kunnen niet in één keer heel de wereld veranderen. Maar we kunnen wel degelijk iets tot stand brengen, één daad tegelijk, één dag tegelijk, één mens tegelijk. Sacks zegt dat treffend: „Eén daad kan een wereld van verschil maken. Eén ogenblik kan een leven rechtvaardigen.”

Het spoor dat we achterlaten in levens van anderen en dat zij op hun beurt weer in levens van anderen achterlaten, is de enige erfenis die het nalaten waard is.

Mr. dr. Janny Bakker is lid van de Eerste Kamer namens het CDA. Dit is haar toespraak tijdens de residentiepauzedienst op 15 april 2025.

Posted in CDA

Wijs omgaan met woorden is kern van politieke handwerk

Heel hartelijk dank voor het voorrecht om hier vandaag het woord tot u te richten. Dit terwijl ik geen dominee of theoloog of geleerde ben, maar slechts een eenvoudig politicus. Aan de andere kant is het boek van vandaag, Prediker naar verluid ook opgeschreven door een politicus, of in ieder geval iemand belast met het landsbestuur, zij het geen zeer recent en zoekend lid van het Nederlandse parlement, maar de koning van Israël, vermaard om zijn wijsheid.

Aan het begin van het debat in de Tweede Kamer krijgen we van de Kamervoorzitter het woord, en zeggen we: “voorzitter, dank voor het woord.”  Aan het begin van het evangelie van Johannes lezen we “in den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God.” Dat is Jezus. Ik bedacht me laatst: zo kan je ook een gebed beginnen: dank voor het woord – en dan danken we de eeuwige Voorzitter van de Schepping, voor het Woord in de persoon van zijn Zoon, die ons zichzelf heeft geschonken.

Want wij beschikken over de gave van het woord, de rede, onze vrije wil en zelfbewustzijn, omdat wij zijn geschapen naar het evenbeeld van God, iets van zijn wezen in ons dragen. Dat maakt dat wij niet alleen onderdeel zijn van de natuur maar ook deels erbuiten, of erboven, staan; we zijn niet alleen dingen, maar hebben ook een perspectief op de dingen. We zijn personen, in de wereld, maar niet alleen van de wereld, net als bijvoorbeeld de schoonheid van muziek. En met dat deel van ons, die vrije wil en rede, kunnen we op een mysterieuze manier deelnemen aan het goddelijke. En sinds ik ben gedoopt, nu iets meer dan tien jaar geleden, blijft het mij steeds treffen als iets wonderbaarlijks, dat wij ons met woorden letterlijk, hardop, of in stilte, kunnen richten tot die Schepper van Hemel en Aarde, tot God.

En je kunt God dus zelfs dingen beloven – zoals hier in deze lezing van vandaag. De prediker waarschuwt voor gebazel, loze, lege woorden. Wat is daar mis mee? Hier gaat het er denk ik om: je moet jezelf niet voor de gek houden. We moeten proberen de waarheid te spreken: tegen anderen, maar ook tegen onszelf. Bij een belofte aan jezelf, of aan God, gaat het erom wat je al hebt gezegd waar te maken. Eeuwenlang was dat – het zweren van een eed van trouw – het onmisbaar geachte fundament van de maatschappelijke orde. Zoals we ook nu nog zweren bij onze installatie in de Tweede Kamer. “Zo waarlijk helpe mij God almachtig.” Zo’n vast voornemen kan sterk maken, temidden van alle verleidingen.

Maar zo’n belofte doen zonder het vaste voornemen om die waar te maken, verzwakt ons. Daar waarschuwt deze tekst voor. Als je eenmaal je belofte hebt gebroken; de volgende keer wordt het alleen maar moeilijker. Het is een vorm van liegen tegen jezelf. Zoals Dostojewski schreef in de gebroeders Karamazov:

Lieg vooral niet tegen jezelf. 
De man die tegen zichzelf liegt
en naar zijn eigen leugen luistert, komt op een punt dat hij de waarheid in zichzelf
of om hem heen niet meer kan onderscheiden,
en verliest zo alle respect voor zichzelf en voor anderen.

En in de politiek?
Parlement komt van parler: praten. Wijs omgaan met woorden is dan ook de kern van het politieke handwerk en wat van ons wordt verwacht. Want het is met het woord dat wij proberen om orde te scheppen in de zee van ambtelijke stukken met al onze principes en idealen om een standpunt te formuleren en vervolgens uit te dragen. Het ritueel van de democratie is een ritueel van de rede, met het woord bijna als een soort sacrament, dat alleen met grote zorgvuldigheid mag worden toegediend. Mann muß einfach reden, aber kompliziert denken – zei de legendarische minister-president van Beieren Frans Joseph Strauss al – und nicht umgekehrt. Dat is onze opdracht: woorden zoeken die niet verhullen of verbloemen maar blootleggen en onthullen; die geen mist opwerpen, maar argumenten geven, in de uitoefening van praktische wijsheid.

Natuurlijk communiceer je in de politiek niet alleen met de andere sprekers maar ook met kijkers. En vaak is de kans dat je in een debat de ideologische tegenstander overtuigt is helaas in de praktijk nogal klein. Maar als je dat idee dat je elkaar wil overtuigen loslaat, wordt het hol. Als men zich in discussies niet meer beroept op argumenten, maar op emoties of macht of autoriteit, zakken we weg. Politiek die niet meer gericht is op overtuigen met argumenten, maar alleen op verdachtmaken of gretig veroordelen van anderen, die alleen gericht is op effect, wordt een leeg spektakel. Want alleen zoiets milds als een argument kan je blijven zoeken naar het verzoenen van die verschillende belangen en idealen. Met elkaar – maar ook, met de realiteit. En ook dat laatste is natuurlijk nogal vaak een uitdaging. En dan kunnen woorden ook anders worden gebruikt – niet om te overtuigen, maar juist om de werkelijkheid te verdraaien: een “spin” of “frame”. Een goede spin heeft altijd een kern van waarheid, maar vervormt die. We leven in een post-postmoderne samenleving.

Postmoderne filosofen vertelden ons dat woorden niet verwijzen naar waarheid, maar alleen een uitdrukking zijn van machtsstructuren. Het gevolg is dat een strijd kan worden gevoerd over woorden om die macht uit te oefenen over het denken: wie bepaalt welke woorden kunnen worden gebruikt, bepaalt wat kan worden gedacht. Dan gaat het niet om te zoeken om te begrijpen hoe de dingen zijn, maar om het scheppen van een “narratief.” En zo moeten we nu bewust zijn van pogingen om ons denken te bepalen – als wordt gesproken over gijzelaars die zijn “gestorven” terwijl ze zijn “vermoord” bijvoorbeeld. Of in de beslissing om het woord “moeder” te vervangen met “ouder uit wie een kind is geboren”, zoals in een recent wetsvoorstel wat gelukkig, dankzij de oplettendheid van de SGP, is rechtgezet.

Het zou goed zijn om daar iets tegenover te stellen, door stil te staan bij de oorsprong van het woord, en het doel ervan. Denken is niet alleen een soort biochemisch proces. Het doel van denken is waarheid. Niet alleen de eeuwige, maar ook de veranderlijke, praktische, dagelijkse realiteit. Slordig woordgebruik leidt tot slordig denken, tot slordig spreken, tot slordig handelen. Zeker in een tijd van verwarring, van kantelende wereldbeelden en wereldorde, zoals nu, is het een voortdurende, cruciale cultuurarbeid om de juiste woorden te kiezen, om goed te beschrijven en dus goed te begrijpen wat er eigenlijk allemaal gebeurt. Dat is aan politici, maar aan ons allemaal.

Daarvoor hoef je niet te bidden. Maar misschien helpt het wel. Alleen onder druk van een ontzaglijke transcendentie wordt onze persoonlijkheid compact en stevig genoeg om onderscheid te maken tussen dingen zoals ze zijn, en dingen zoals we willen dat ze zijn. Zonder God belanden we in het labyrint van ons eigen ego. Prediker herinnert ons eraan.

Daarbij wil ik afsluiten. Ik dank de Eeuwige, de voorzitter van de Schepping, voor het woord. Want u – en dat zijn woorden die mij, toen ik ze voor het eerst las, bleven nagalmen: U heeft woorden van eeuwig leven.

Diederik Boomsma is lid van de Tweede Kamer voor NSC. Dit is zijn toespraak tijdens de residentiepauzedienst op 18 maart 2025 in de Waalse Kerk in Den Haag.

Wijs met een onbegrepen God

Wij kunnen de Dirigent van het levensconcert wel degelijk kénnen

Een onbegrepen god als godsbeeld biedt vrijheid maar je bent daarmee geheel aan jezelf overgeleverd. De God van de Bijbel echter laat je niet als kaal individu in een leeg universum staan. Dat moet de overheid ook beseffen.

Een onbegrepen God. Dit is vandaag een vrij populair godsbeeld, als ik mij niet vergis. Een god die je niet scherp kunt omschrijven of typeren. Niet zomaar kunt plaatsen of definiëren. Van wie je ook niet zomaar kunt zeggen wat hij precies wil, voorstaat of van jou vraagt. Dat geeft ruimte voor een eigen invulling. Een onbegrepen god schept de mogelijkheid om hem te kneden en te vormen. Een god naar jouw eigen beeld, ten behoeve van jouw eigen project en persoonlijke behoeften.

Bijvoorbeeld een god die geen ruimte laat voor een eeuwig oordeel. En geen enkele intieme relatie of vorm van seksualiteit uitsluit. Welke keus jij ook maakt, jouw god gaat met je mee. De theoloog Reinhold Niebuhr omschreef dit godsbeeld ooit als „een God zonder woede die mensen zonder zonde brengt naar een koninkrijk zonder oordeel door de bemiddeling van een Christus zonder kruis”. En wee degene die over jouw godsbeeld een kritische vraag stelt. Geloven is immers een persoonlijke zoektocht.

Bekendgemaakt
Overigens kan dit godsbeeld in de behoudende flank van de kerk even goed functioneren. Een onbegrepen god met wie je het nooit zeker weet. Van wie je niet weet of hij echt jouw behoud op het oog heeft, terwijl je maar moet afwachten of zijn genadige oproepen ook voor jou gelden. Laat staan dat je zeker kunt zijn van de zaligheid. Ook dit godsbeeld geeft ons alle ruimte om de levende God van de Bijbel op afstand te houden. Sinds Genesis 3 zit dat bij ieder van ons er als vanzelf in, hoe orthodox we onszelf ook presenteren.

Gelukkig laat de God van de Bijbel Zich wel degelijk kennen. En hoe! Exodus 34: „HEERE, HEERE, God, barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid. Die de weldadigheid bewaart aan vele duizenden, Die de ongerechtigheid, en overtreding, en zonde vergeeft; Die de schuldige geenszins onschuldig houdt.”

En deze God heeft Zich in het bijzonder bekendgemaakt in Christus, tot op het kruishout, om verloren en schuldige mensen te redden. In die zin is er volstrekt geen sprake van een onbegrepen God.

Alles op zijn tijd
Deze God is echter wel Gód, de geheel Andere, Die al onze ideeën onder het oordeel plaatst. Kenmerkend voor de weg die God met mensen persoonlijk gaat, is dat die doorgaans het meest haaks staat op ons comfort. Het is een kruisweg.

Soms is Gods werk onmiskenbaar en kun je Zijn hand in de geschiedenis bijna tasten. Ik denk dan bijvoorbeeld aan het ontstaan van de Joodse staat Israël in 1948. Een Godswonder. Maar heel vaak past ons grote voorzichtigheid om Gods handelen precies na te rekenen.

We weten wel zeker, zegt Prediker 3:11, dat deze God alles op Zijn tijd mooi heeft gemaakt en de eeuw in ons hart heeft gelegd. „De eeuw in het hart gelegd”, een prachtige uitdrukking! Met voorbijgaan van alle exegetische moeilijkheden kun je twee dingen eenvoudig zeggen: de mens heeft besef van tijd en hij is bezig met de tijd.

Als we weten dat het besef van tijd hand in hand gaat met de boodschap dat alles er op zijn tijd moet zijn, zullen we om te beginnen weer meer liefde moeten hebben voor ritme en regelmaat. Het ritme van werken en rusten, rusten en werken. Een tijd om de longen uit je lijf te werken en een tijd om op te ademen. Een tijd om gezamenlijk onze christelijke feesten te blijven vieren. De filosoof Marli Huijer vroeg zich af of we niet een ministerie van tijdsordening nodig hebben, naast dat van ruimtelijke ordening. Dat is helemaal zo’n gekke gedachte niet.

Waarden en tradities
Er leeft en gromt echter iets in onze tijd waardoor we die richting nog zeker niet in lijken te gaan. Want wat moeten we met onze tijd als we als kaal individu in een leeg universum staan? En wat doen we met de vele dingen die we niet begrijpen –ook het werk van God niet– en de zinloosheid die ons soms aangrijnst? Gaan we door die schrik onbewust steeds harder op de loop? Halen we daarom alles uit de kast om de tijd te doden?

Hier staat de overheid duidelijk met lege handen. Zij kan burgers niet werkelijk vervullen en verlossen. Het is daarom tijd dat de kerken hun deuren en harten openen. Tijd en ruimte bieden om God te ontmoeten. En laat de overheid dan vooral niet doen alsof die aanwezigheid alleen maar achter de voordeur een plek mag krijgen. Ook het publieke domein roept om een hoopvolle boodschap die verder strekt dan de kale moraal van het individu. We snakken naar een correctie op de seculiere tijd.

Het is echt te hopen en te bidden dat overheden ook iets meer van de eeuw in hun hart krijgen. Dat ze besef hebben en krijgen van waarden en tradities die de tijd hebben doorstaan. Barmhartigheid, gerechtigheid, liefde. Werkelijke vrijheid en bescherming van het leven. Oog voor wat vertrapt dreigt te worden. Voor diegenen voor wie de tijd buiten de baarmoeder nog moet beginnen en voor hen die bijna uit de tijd zijn. Oog voor de christelijke cultuur en traditie.

Wonderlijk genoeg rekenen alle overheden op aarde ondanks de secularisatie nog steeds met God. Onze tijd draait nog steeds om de geboorte van Christus. Volgens de Bijbel was dat hét moment van de geschiedenis, het moment dat de tijd gevuld werd. De hervormde theoloog A.A. van Ruler zei het ontroerend: „God heeft tijd voor ons gehad, het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond.” Christus is de zin van de geschiedenis.

Vrolijke wetenschap
„Van het concert des levens krijgt niemand het program”, zo zei men vroeger. Een wat mistroostige opmerking. Immers, wij kennen wél de Dirigent van dit levensconcert. Wij kunnen deze God wel degelijk kénnen. Wie de Zoon gezien heeft, heeft de Vader gezien. Met die vrolijke wetenschap in ons hart kunnen we de tijd weer in en kunnen we de tijd weer aan. Hoe seculier die vandaag ook mag zijn. Want alle dingen hebben tijd, maar Gods liefde heeft eeuwigheid.

Diederik van Dijk is lid van de Tweede Kamer voor de SGP. Dit is zijn toespraak tijdens de residentiepauzedienst op 18 februari 2025 in de Waalse Kerk in Den Haag.

 

 

Meditatie Wijs met een onbegrepen God

Meditatief woord over Prediker 3:11m ‘Ook heeft Hij de eeuw in hun hart gelegd’, door ds. dr. Barend H. Weegink (Oude Kerk Scheveningen) in de residentie pauzedienst op dinsdag 18 februari 2025 om 12.30 u. in de Waalse Kerk aan het Noordeinde in Den Haag.

Beste aanwezigen,

Het is de tweede keer dat we het jaarthema over ‘wijsheid’ gebruiken. We lazen daarnet een gedeelte uit Prediker 3, ‘Wijs met een onbegrepen God’. Het volgt op die bekende verzen – over een tijd om te baren en te sterven, te beminnen en te haten, te spreken en te zwijgen… Ze maken ons duidelijk dat alle dingen hun bestemde tijd en beloop hebben. Je moet ze over je heen laten komen, geen mens kan het vervroegen of verhaasten.

Kernachtig wordt dit uitgedrukt in het 11e vers, waar staat dat God alles wat er is, de goede plaats in de tijd heeft gegeven. En we lezen daar ook dat Hij de mensenkinderen de eeuw in het hart heeft gelegd. Andere vertalingen parafraseren dat: God heeft de mens besef van tijd of besef van duur ingegeven. En daarmee is het speelveld van de mens afgebakend: God is in de hemel en wij mensen zijn op aarde. Wij worden bezocht met vergankelijkheid; weet dus je plaats.

De eeuw in het hart gelegd… een typische uitdrukking. Met de Kanttekenaars bij de Statenvertaling leggen we dit in eerste instantie uit als een aangeboren verlangen van de mens: hij wil om zich heen kijken en nadenken en onderzoeken wat geweest is, de eeuwen en tijden bezien om een duiding te geven aan datgene wat daarin gebeurd is. En… wat ook bij die ‘eeuw in het hart’ hoort is een beetje nattevingerwerk: een mens wil aanvoelen wat het morgen wordt, wat je hoopt of wat je vreest en wat je verwachten kunt.

Het is een afmattende bezigheid. Prediker gebruikt het woord vermoeienis meer dan eens. Je kunt droefgeestig van de dingen worden. Je speurt naar piekmomenten, maar ziet vaak dalen. En voor jezelf het boek der gedachtenissen openslaan, het verleden in de herinnering roept, dat kan soms zo pijnlijk zijn. Het gras in je jeugd was groener dan nu. In het besef van tijd zit iets van ‘wij vliegen heen’, we zijn een handbreedte, een ademtocht, en bij dat alles gloort er ook iets van herinnering en heimwee naar de volmaaktheid; het gras was zo groen…

Om bij de huidige tijd te blijven: Nog vers in het geheugen ligt de januaridag waarop de nieuwe president van Amerika zijn veelbelovende inauguratietoespraak hield. Nadat hij het deel der ellende, onder zijn voorganger aangericht, had gememoreerd, verwoordde hij dat de tijd van grote dingen voor de USA was aangebroken. ‘Golden age’, gouden tijdperk, of Gouden Eeuw zoals wij dat graag uit Hollands glorie noemen. Doorgaans is dat een bloeiperiode voor economie en rijkdom, welvaart en cultuur. Met ‘eeuw’ is dan niet zozeer een periode van exact honderd jaar bedoeld, maar een aaneengesloten tijdperk waarin alles excelleert en dat hopelijk lang voortduurt.

Ondertussen zitten we met die óp het hart gelegde ‘eeuw van Europa’ wel heel erg knel. Gisteren was er crisisoverleg van de EU in Parijs over hoe het verder moet met de wereld. En vandaag beginnen in Saoedi-Arabië de besprekingen tussen de grote machten Amerika en Rusland over een geknechte Oekraïne. Wij doen niet eens mee, als bondgenoten zijn we eruit gebonjourd. De oude, Latijnse bijbelvertaling Vulgata zag het wel heel goed: de in het hart gelegde ‘eeuw’ wordt daar met ‘mundus’, wereld vertaald. Om Guido Gezelle te citeren: ‘de wéreld wil mij achterna, alwaar ik ga of sta of ooit mijn ogen sla; en arm als ik en is er geen’…

Gisteren luisterde ik naar het lied van Leonard Cohen ‘There is a crack in everything – that’s how the light gets in’. Er zit een barst in alles, en alleen door de spleet kan het licht binnenkomen. Ik vond de verwijzing naar die song in de rouwadvertentie van een Amsterdamse collega, die erg met toekomst en vrede bezig was en zo graag een beetje licht wilde doorlaten. Daaronder had hij uit Psalm 119 laten zetten: ‘Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht op mijn pad’. ‘A crack in everything’… In de wankelbare wereld waarin de panelen schuiven en de tonelen wisselen, kunnen we de ware gelukzaligheid niet vinden. Dat is de les: door donker naar licht, door lijden naar heerlijkheid. We moeten naar God toe, en naar Jezus, ‘die bad op ene berg alleen’, zoals Gezelle dichtte en die mij, arme dwaas, ‘die nood hebbe en niet klagen kan; die honger, en niet vragen kan; die pijne, en niet gewagen kan hoe zeer het doet!’ moge leren ‘hoe dat ik bidden moet’.

De eeuw in het hart gelegd… De Kanttekenaars wijzen nog op die andere vertaalmogelijkheid. Je zou ook ‘de eeuwigheid’ mogen lezen. Het is God de Here, die de geschiedenis regeert. Hoe, dat begrijpen wij niet, want de Here in het glorielicht gaat ver boven ons uit en wij staan onder Hem. Hij heeft ons ‘de eeuwigheid’ in het hart gelegd; zo staat het in de Naardense Bijbel van Pieter Oussoren gezegd. God heeft ons met een eeuwigheidsgedachte geschapen. Zijn we niet zo dat er iets van herinnering daagt aan het paradijs? Een verlangen, een hang naar God en naar Zijn eeuwigheid? De meeste mensen zijn op een of andere wijze religieus. Er is de taal van het hart, dat zijn redenen heeft die het verstand niet kent, aldus Blaise Pascal. Al eerder, in de eerste alinea van de Confessiones (Belijdenissen) van Augustinus wordt de verhouding tussen God en mens samengevat: ‘Gij, o God, zet de mens aan om er vreugde in te vinden U te loven, want Gij hebt ons gemaakt naar U, en rusteloos blijft ons hart totdat het zijn rust vindt in U’.

Onrust is vaak een negatieve ervaring die het moderne westerse leven kenmerkt. We missen een vast punt waaraan ons innerlijk kompas zich kan oriënteren. Haast en stress gaan dikwijls samen met welvaart en overvloed. Rust gaat verder dan de materiële situatie. In de christelijke traditie rust de mens niet in zichzelf; hij blijft van God afhankelijk, ook wat betreft zijn rust en geluk. Het eeuwigheidsverlangen reikt verder dan de horizon van onze materiële wereld.

Iets van het duale, dubbele van de tijd, het paradoxale moet erin. Niet alles op de kaart van het hier en nu. Er is meer dan dat de volkeren woeden en de natiën zinnen op ijdelheid, er is meer dan het nieuws en de waan van de dag. Er is de onbegrepen God, van het boventijdse leven. Hij doet ‘zonder dat de mens het werk dat God gedaan heeft, van het begin tot het eind kan doorgronden’, aldus Prediker. Hij zit niet aan ons draadje, wij hangen aan de koorde van Hem. Begrijpen doen we Hem niet. En nochtans is het zo: God de Here regeert, vrees Hem en houd Zijn geboden.

‘Wijs zijn met een onbegrepen God’, is ons thema. Dat is niet: de onbekende God, en zeker niet: de onbetrouwbare God. Maar de God en Vader van onze Here Jezus Christus die ons in een punt des tijds, kairos i.p.v. chronos, het heil schonk in Zijn Zoon. De God tot Wie we mogen leren zeggen: ‘mijn tijden zijn in Uw hand’. Die in de Zaligmaker gisteren en heden Dezelfde betrouwbare is en tot in eeuwigheid. Hij heeft de eeuw van de wereld op ons hart gelegd en het eeuwigheidsverlangen in ons hart. De oude eeuw schuift naar het einde, de wereld met haar begeerte gaat voorbij (1 Joh.2:17). Maar we geloven en verwachten het leven van de ‘toekomende eeuw’, ik citeerde de 1700 jaar oude belijdenis van Nicea. De komende eeuw schuift straks over de oude bedeling heen. Laten we Gods heil kennen. Daar voorbij die horizon is het mooiste. Waar het hekje tussen dit leven en het eeuwig leven precies zit, is moeilijk te zeggen. Het is immers al eeuwigheid. En het wordt de volle eeuwigheid als we – op zijn Twents, mijn bakermat: ‘oet de tied’ – uit de tijd zijn. Wat ons heen stuwt is de ‘enige troost in leven en sterven’.

U kent toch de blikrichting van de Heidelbergse Catechismus: Dat ik met lichaam en ziel het eigendom ben van mijn trouwe Heiland Jezus Christus, die met Zijn kostbaar bloed voor al mijn zonden volkomen betaald heeft en mij uit alle heerschappij van de duivel verlost. En die mij door Zijn Heilige Geest ook zekerheid van het eeuwige leven geeft. En die mij van harte bereid maakt om voortaan voor Hem te leven. Amen.

Wijs met voedsel

 Hoe kunnen we verantwoord genieten van voedsel? 

De Bijbel laat zien dat de mens is gemaakt om van de vrucht van de schepping te genieten. Maar met een te grote ecologische voetafdruk, bijvoorbeeld door wat je eet, parasiteer je feitelijk op die schepping. Waar doe je dan goed aan?

Voedsel heeft een morele lading gekregen. In elke voedselkeuze resoneert de rest van de wereld mee. Biefstuk, kan dat nog wel als een koe een bron van broeikasgassen is? Is het wel verantwoord om groente of fruit te eten dat is ingevlogen vanuit verre landen en misschien door onderbetaalde arbeiders en op onhygiënische wijze is geplukt? En die megastallen, zijn die eigenlijk wel oké? Of is grootschalige voedselproductie juist een zegen voor de mensheid?

Steeds meer op slot
In de laatste decennia is de verwarring over voedsel alleen nog maar groter geworden. Wie maakte zich vroeger zorgen over waar de snijbonen vandaan kwamen of wat voor melk er gedronken werd? En blauwe bessen waren toch altijd gezond? Maar opeens kregen mensen na het eten van deze bessen uit onze blauwe supermarkten gezondheidsklachten. En nog geen twee weken geleden zagen we een nieuwe uitbraak van mond-en-klauwzeer in Duitsland. Onze veehouders, zeker op en rond de Veluwe, hielden hun hart vast, met de MKZ-crisis van 2001 nog vers in het geheugen.

Ondertussen komt ons land na diverse uitspraken van de Raad van State steeds meer op slot te zitten als het om natuurvergunningen gaat. Dit als gevolg van te veel stikstof in onze natuurgebieden. En dat is weer een gevolg van vooral –u raadt het al– voedselproductie. Meer precies: van de productie van dierlijke eiwitten. Natuurlijk, er is veel over wet- en regelgeving en over rekenmodellen te zeggen, maar we kunnen er niet onderuit: er zit op zijn minst spanning tussen onze wijze van voedselproductie en -consumptie en de gevolgen daarvan voor natuur en milieu.

Weten en geweten
De Nederlandse voedselwetenschapper Louise Fresco schreef prachtige boeken over al deze dilemma’s. Ze blijft ver weg van de morele hoogvlakten waarop zovelen zich maar al te graag begeven. Tegelijk stelt ze: eten is weten en geweten.

De beste plaats om dat te beseffen is misschien wel de eettafel, die plek van ontmoeting, die broedplaats van meningen en vragen. Aan tafel vroeg mijn zoon onlangs of de dieren die wij eten oud zijn als ze worden geslacht. Hij wilde weten of ze wel een lang en goed leven hadden gehad. Ik moest hem vertellen dat dit helaas vaak níet het geval is. Zijn gezicht betrok. De meeste dieren worden immers louter en alleen vetgemest om zo snel mogelijk geslacht en gegeten te worden.

Gaan we met eerbied om met de dieren die we vetmesten en eten, met de schepping, zeker nu alles via onze supermarkten zo steriel en anoniem en zo vanzelfsprekend is geworden? Hoe valt de omgang van de rechtvaardige met zijn vee (Spreuken 12) te rijmen met het stukje vlees op mijn bord? Beseffen we dat er inspanning voor is verricht, dat er een plant voor heeft gegroeid, dat een dier ervoor heeft geleefd? Die terechte vraag van mijn zoon deed me stilstaan bij al deze vragen?

Akkerbouwbedrijf
Mijn jonge jaren bracht ik door op de kop van Goeree, op het akkerbouwbedrijf van mijn vader en een paar ooms. Dat voedselproductie met veel geploeter gepaard gaat, kreeg ik met de paplepel ingegoten, evenals onze afhankelijkheid. Het is God die de wasdom geeft. En áls je dan uiteindelijk een mooie opbrengst had, dan was je nog afhankelijk van de prijs, die ergens ver weg werd bepaald.

Mijn ervaringen sluiten naadloos aan bij Prediker 2:24: „Is het dan niet goed voor de mens dat hij eet en drinkt en zichzelf in zijn zwoegen het goede laat genieten? Ook dit heb ik gezien: het komt uit de hand van God.” Een echo hiervan is Jakobus 1:17: „Elke goede gave (…) is van boven en daalt neer van de Vader der lichten.” Deze teksten zeggen eigenlijk: je hebt het allemaal volstrekt niet in de hand. Het is altijd ”Deo volente”.

Verantwoordelijkheid
Afhankelijkheid wordt echter ongezond wanneer ze omslaat in apathie, in een houding van gelatenheid of zelfs fatalisme: „Ik heb het nu eenmaal niet in de hand, dus het doet er niet toe wat ik doe.” Afhankelijkheid moet altijd gepaard gaan met verantwoordelijkheid. Immers, wie niet zaait zal niet oogsten. Wie wél zaait, doet dat in de hoop en het vertrouwen dat de Schepper zijn regen en zonlicht geeft op zijn tijd. Ora et labora. Bid en werk.

Dat brengt ons terug bij de vraag: hoe kunnen we wijs omgaan met voedsel en met een ontspánnen verantwoordelijkheidsbesef van al het goede genieten dat God ons geeft?

Prediker geeft ons mee: geniet van het goede, vier het leven, maar vergeet niet om onderwijl ook steeds het goede te blijven dóen. Dat laatste ligt aardig diep in onze calvinistische aard verankerd. Dat eerste, het genieten, vergaat ons minder goed.

Maar het is wel de cadans die Prediker beschrijft: het is goed voor de mens om zichzelf „in zijn zwoegen het goede te laten genieten”. Het is dus telkens weer werken én rusten, zaaien én oogsten, zwoegen én genieten. Zo zien we ook de Schepper eerst werken om daarna te „zien” dat het „goed” was en te „rusten van zijn werk” (Genesis 1 en 2).

”Aardling”
De mens is gemaakt om van de vrucht van de schepping te genieten. Hij moet echter niet vergeten dat hij onderdeel is van een groter ecosysteem. Hij is door de Schepper uit het stof gevormd en daarmee onlosmakelijk verbonden met zijn omgeving. Een ”aardling”, geschapen voor een eerbiedige omgang met die aarde. Met een te grote ecologische voetafdruk parasiteer je feitelijk op de schepping.

Genieten met éérbied. Misschien is dat wel de kern. Leven met de wetenschap dat het goede ons toevalt „uit de hand van God” (Prediker). Leven in verbondenheid met de schepping waartoe wij behoren. Kiezen, kopen en aan tafel gaan in het besef dat een boer ervoor heeft gewerkt, een dier ervoor heeft geleefd, een plant ervoor heeft gegroeid én dat God de wasdom gaf. Steeds met vréugde.

Pieter Grinwis is lid van de Tweede Kamer voor de ChristenUnie. Dit is zijn toespraak tijdens de residentiepauzedienst op 21 januari 2025 in de Waalse Kerk in Den Haag.

Pak na ”amen” niet zelf de draad weer op

Laten we het woord ”amen” niet zien als het einde van ons gebed, maar als een krachtige bevestiging dat Gods beloften waar en zeker zijn. Het is een uitnodiging om op Hem te blijven vertrouwen, elke dag opnieuw.

In 2 Korinthe 1:12-24 verdedigt Paulus zijn integriteit en zijn veranderde reisplannen. Maar hij wijst ook op iets veel groters: Gods trouw en betrouwbaarheid. Dat wijst op het centrale woord ”amen”. Dat is een woord dat we vaak uitspreken, misschien zonder er bewust bij stil te staan. Wat betekent het eigenlijk? En hoe kan dit ene woord ons geloofsleven verdiepen?

”Amen” is niet het slot van ons gebed, een punt dat een gesprek afsluit. Het is eerder een komma. Het houdt ons gebed open en wijst ons op de zekerheid van Gods beloften. Toch hebben we vaak de neiging om na ”amen” de draad van ons leven weer zelf op te pakken.

Als mijn kinderen en ik op zaterdagmiddag na de dank voor ons eten het woordje amen uitspreken, zijn we al half onderweg naar datgene waarmee we voor het eten bezig waren. Het is een soort snelle afsluiting om vlug over te gaan tot de orde van de dag. In de tweede brief aan de Korinthiërs staat het woord amen echter voor iets anders, als een uitnodiging om op God te vertrouwen. Niet als een afsluiting maar eerder als een aanmoediging om daarmee door te gaan.

In deze brief verdedigt Paulus zich. Hij heeft zijn plannen veranderd maar sommigen zien dat als onbetrouwbaarheid. Paulus maakt echter duidelijk: zijn veranderde plannen doen niets af aan zijn integriteit. Sterker nog, zijn ja en nee weerspiegelen Gods trouw. Hij zegt in vers 20: „Want alle beloften van God zijn in Hem ja; daarom is ook door Hem het Amen tot eer van God door ons.”

Met andere woorden, in Jezus Christus worden Gods beloften bevestigd. Ze zijn waar en betrouwbaar. Paulus benadrukt dat zijn eigen betrouwbaarheid geworteld is in Gods betrouwbaarheid.

Herinnering
Het woord ”amen” kennen we allemaal. Het is misschien wel het meest universele woord in het christelijk geloof. Maar wat betekent het precies? In de Bijbel wordt het woord gebruikt als een krachtige bevestiging. Het betekent: het is waar, het is zeker, dit is vaststaand.

Hier hebben we het cruciale punt: amen is geen afsluiting (zoals ik daar helaas vaak invulling aan geef), niet een manier om het gesprek met God te beëindigen. Het is niet een teken dat we nu zelf weer verder moeten. Nee, amen is een bevestiging van Gods trouw en een oproep om op Hem te blijven vertrouwen. Wanneer we amen zeggen, zeggen we eigenlijk: „Heer, ik leg dit in uw handen, en ik vertrouw erop dat U doet wat U hebt beloofd.”

Wat doen wij vaak? We bidden, spreken ons amen uit en gaan vervolgens weer verder alsof het allemaal aan ons ligt. We nemen onze zorgen, onze plannen, ons leven weer stevig in eigen hand. We bidden bijvoorbeeld om leiding, om kracht of om vrede, maar zodra we amen zeggen, proberen we alles zelf op te lossen. Misschien herkennen we dat wel in ons eigen leven. Ik herken dat niet alleen bij mijzelf aan tafel, maar ook vandaag de dag in de politiek. Denken we niet te veel dat we het allemaal wel zelf kunnen? Nou, kijk eens wat die houding ons allemaal brengt…

Toch is dat niet de bedoeling van ”amen”. Het is niet bedoeld om het gesprek met God af te sluiten maar juist om ons vertrouwen in Hem te bevestigen. Het is een herinnering dat we ook ná ons gebed op God mogen blijven leunen.

In Gods handen
Laten we opnieuw naar Paulus kijken. Zijn leven was verre van gemakkelijk. Hij kreeg te maken met weerstand, tegenslagen en veranderde plannen. Ondanks alles bleef hij vertrouwen op Gods leiding. Voor Paulus betekende het woordje amen niet slechts een afsluiting van zijn gebeden, maar een leven van vertrouwen, ook als het anders liep dan hij verwachtte.

Paulus wist: Gods beloften staan vast en Hij zal doen wat Hij zegt. Dat gaf hem de kracht om door te gaan, zelfs als de omstandigheden onzeker waren. Paulus’ leven getuigt van een diep vertrouwen op Gods trouw, een vertrouwen dat zich uitstrekte over elke situatie.

Wat betekent dit voor ons, vandaag? Elke keer dat we amen zeggen, worden we uitgenodigd om ons leven in Gods handen te leggen en dat ook te blijven doen. Het is niet een punt achter ons gebed, maar een richtingaanwijzer naar een leven van voortdurende afhankelijkheid van Hem.

Ja en amen
Wat zou er veranderen als we voortaan ”amen” niet meer zouden zien als het einde van ons gebed, maar als het begin van een leven vol vertrouwen? In plaats van te denken: „Nu moet ik het zelf doen”, zouden we kunnen zeggen: „Heer, ik blijf vertrouwen dat U doet wat U hebt beloofd.”

Misschien bidden we voor een moeilijke situatie op het werk of voor de gezondheid van een geliefde. We zeggen amen, maar dan komt de twijfel: „Hoe moet dit verder?” Amen herinnert ons eraan dat God bij ons blijft, ook na ons gebed. Wellicht bidden we om wijsheid met het oog op een belangrijke beslissing. Na het amen voelen we de neiging om zelf de controle te nemen. Maar ”amen” betekent: vertrouw op God; Hij leidt ons.

Laten we het woord amen niet zien als het einde van ons gebed, maar als een krachtige bevestiging dat Gods beloften waar en zeker zijn. Het is een uitnodiging om op Hem te blijven vertrouwen, elke dag opnieuw. ”Amen” is het begin van een leven dat geworteld is in Gods trouw. Want alle beloften van God zijn in Christus ja, en in Hem ook amen.

Derk Boswijk is lid van de Tweede Kamer voor het CDA. Dit is zijn toespraak die hij hield tijdens de residentiepauzedienst op 19 november 2024.

Wie is de baas in het koninkrijk der Nederlanden? 

De koning zullen kleine kinderen zeggen. Maar lichaamstaalexperts konden tijdens het voorlezen van de troonrede duidelijk zien dat Zijne Majesteit de plannen voor 2025 niet allemaal van harte voorlas.

De baas, dat ben ik natuurlijk zei onze nieuwe premier onlangs toen gevraagd werd wie er nu eigenlijk de echte baas is. Terecht werd hij gecorrigeerd door Geert Wilders: niet de minister-president, maar de Tweede Kamer is het hoogste orgaan in onze parlementaire democratie.

Frans Timmermans wees bij de Algemene Beschouwingen naar Wilders en zei: de schaduwpremier, de man die aan de touwtjes trekt zit daar! Eigenlijk wel raar toch, dat de vraag wie de baas is in Nederland zo lastig te beantwoorden is. Het is dus niet vanzelfsprekend voor iedereen duidelijk wie dat dan is. De eer die aan die functie verbonden is, of laten we zeggen de heerlijkheid neemt daardoor wel af en in Nederland is het droevig gesteld met respect voor het hoogste gezag.

Het thema voor vanmiddag: want van U is het koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid volgt in het bekende Onze Vader na zes beden. We hebben daar zojuist over gehoord van dominee Groen. Aan mij is gevraagd om daar een politieke toepassing van te maken.

Het thema waar we vandaag bij stil staan bevat eigenlijk drie kernwoorden: Koninkrijk, kracht en heerlijkheid. Het woord koninkrijk staat voor de soevereine heerschappij van God, kracht is een ander woord voor macht en duidt op Gods ultieme vermogen om Zijn wil en heerschappij tot stand te brengen en heerlijkheid kun je ook lezen als glorie, zeg maar de erkenning van Zijn macht en heerschappij.

U voelt wel dat we het hier over totaal andere begrippen hebben dan die van toepassing zijn op aardse machthebbers.

Laten we eens nadenken over het eerste begrip: soevereine heerschappij, de mogelijkheid om onafhankelijk van andere machthebbers besluiten te nemen. Het kabinet beschikt niet in de verte over soevereine heerschappij.

Neem de minister van Landbouw die zo graag dingen anders zou willen doen voor de agrarische sector, maar tot de ontdekking is gekomen dat Nederland op heel veel onderwerpen in de landbouw de soevereiniteit heeft overgedragen naar Brussel.

Of neem het kabinet als geheel. Leunend op een ruime meerderheid in de Tweede Kamer moet dit Kabinet met de pet in de hand langs een aantal kleine partijen bedelen om steun in de Eerste Kamer. Zo heeft senator Peter Schalk van de SGP waarschijnlijk de sleutel in handen voor het al dan niet doorgaan van de noodwet voor de asielcrisis.

Nee van soevereiniteit is geen enkele sprake. De soevereine natiestaat is van drie kanten uitgehold, er zijn bevoegdheden in Brussel terecht gekomen, er zijn bevoegdheden gedecentraliseerd naar gemeenten, provincies of ze zijn overgedragen naar onafhankelijke instituties. Niet bepaald soevereine heerschappij.

Ook van het tweede begrip kracht of macht als het ultieme vermogen om de wil tot stand te brengen is geen sprake in onze regering. Met het trias politica model zijn de machten verdeeld over een wetgevende, uitvoerende macht en rechterlijke macht. Die drie delen houden elkaar in balans en vormen soms ook elkaars tegenmacht. Om nog maar te zwijgen van de oneindige wirwar aan regels en jurisprudentie die onze samenleving vleugellam lijken te maken. Er is een systeem gecreëerd waar niemand meer de regie op heeft. Niemand lijkt dit te kunnen doorbreken. De hele stikstofcrisis is bijvoorbeeld ontstaan doordat de rechter in 2019 de overheid terugfloot. Of neem de discussie over demonstratierecht: de minister gaat niet over het Openbaar Ministerie of de politie.

Macht heeft ook gezag nodig om te kunnen bestaan en ik heb onaangename gevoel dat er sprake is van een sluipend betonrot in het gezag van de overheid. De hang naar ultieme vrijheid tast dat overheidsgezag aan: de geest van de Franse revolutie: geen God en geen meester!

We zien dat ook bij verkiezingen. Die kennen steeds extremere uitslagen, veroorzaakt door de onrustige zoektocht van de kiezer naar de nieuwe leider die hun behoeften in het hier en nu vervult. Even snel laat dezelfde kiezer de gekozene weer vallen als die behoefte niet direct en onverkort wordt ingevuld. Bestuurders worden op die manier geleid door de grillen van de kiezer en komen niet toe aan het geven van zo vurig gewenste leiding.

Hoewel ik Lang niet alle denkbeelden van Plato hier zou willen bejubelen, laat hij in zijn inmiddels 2400 jaar oude meesterwerk “Politeia” merken dat hij de risico’s en kwetsbaarheden van een democratie heel goed doorziet: Men bewondert leiders die zich als ondergeschikten gedragen. Onder zulke omstandigheden moet de vrijheid toch onvermijdelijk extreme vormen aannemen.”

Dan het derde begrip: heerlijkheid, glorie en erkenning van macht. Glorie is in onze samenleving nog louter weggelegd voor sporthelden, YouTubers en artiesten. Dat hebben we kunnen zien rond de recnte Olympische Spelen, de winnaars worden bejubeld en hun prestaties worden tot mythische proporties uitvergroot.

Je hoeft X en andere social media maar te openen om te lezen en te horen hoe over de politieke machthebbers wordt gesproken. Tot het bot worden ze aangevallen en beledigd, tot op de enkels worden ze afgezaagd. Aangevallen op hun woorden, hun uiterlijke kenmerken en zelfs op hun privéleven.

Samenvattend zou je kunnen denken het is een treurige boel in ons koninkrijk. Het is slecht gesteld met de soevereiniteit, de macht en de heerlijkheid van ons landsbestuur. Je zou er somber van worden.

En dan moet je daarin als politicus van de SGP je werk doen. De partij met een theocratisch ideaal. Het ideaal van de ultieme Godsregering. Hoe ver is het van daar…? Zou je bijna zeggen. Dat zal nooit gebeuren… toch?

Hoe bijzonder steekt dan de bede waar we vandaag bij stil staan hier tegen af: daar straalt de zekerheid en de bewondering van af. Want van U is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid is eigenlijk ook een echo, een antwoord. Kijk maar naar de eerdere bede: Uw koninkrijk kome, uw wil, lees uw macht geschiede. Dat is uitgesproken als een diepe wens. En een paar beden later is daar al het stellige antwoord: want van U is het Koninkrijk en de kracht. Een wens is nog onvoltooid, maar deze bede is de bevestiging. De zekerheid dat God de soevereine heerser is niet alleen van Zijn hemels koninkrijk, maar ook van dit aardse koninkrijk. En dat Hij dat doet met kracht en al Zijn heerlijkheid.

Daarom hoeven de actuele omstandigheden en het scherpe signaal van Plato niet tot somberheid te stemmen. We hoeven niet te streven naar een theocratische heilstaat, we Leven al onder het theocratische bestuur van de almachtige God. „Door Mij heersen de heersers”, lezen we in Spreuken 8. Deze wereld is Zijn Koninkrijk. Hem loopt niets uit de hand, niet in Nederland, niet in Israël of Gaza, niet in Oekraïne of Rusland. In de hele wereld niet, sterker nog nog geen haar kan er van ons hoofd vallen zonder Zijn wil. En natuurlijk is dit een gebroken wereld, maar wel onder Zijn soevereine heerschappij en Hij heeft het ultieme vermogen om Zijn wil te doen en Hij krijgt ook de erkenning, de eer en de heerlijkheid en de glorie daarvoor. Van een koor van engelen en Zijn gezaligden die al mogen juichen voor Zijn troon. En laten wij ons dagelijks voegen in dat koor met die prachtige bede want van U is het koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid.

André Flach is lid van de Tweede Kamer voor de SGP. Dit is zijn toespraak tijdens de residentiepauzedienst op 15 oktober 2024 in de Waalse Kerk in Den Haag.

Vergeef ons onze schulden

Op 27 oktober 2005 brak er een brand uit in het cellencomplex bij Schiphol-Oost. Elf gevangenen kwamen om het leven. Uit onderzoek bleek dat onder meer de gemeente Haarlemmermeer en de Rijksdiensten blaam trof. Wie stapten er op? De ministers Donner en Dekker, omdat ze als bewindspersonen ook „verantwoordelijk zijn voor de overheidsdiensten aan wier handelen het leed van de nabestaanden wordt toegeschreven”.

Dit is een spannende kwestie. Kun je verantwoordelijk zijn, ook als je niet direct zelf schuldig bent? En bestaat er zoiets als ”onze schulden”?

Gezamenlijk kwaad

In het Onze Vader gaat het in ieder geval niet primair over de enkeling. Kinderen leren in navolging van de Heere Jezus eeuwenlang sámen te bidden voor óns brood en voor vergeving van ónze schulden.

Samenleven betekent samen leven, inclusief het onder ogen zien dat iedere burger daarin tekortschiet, soms generaties lang. Het kwade gebeurt bovendien vaak gezamenlijk, ”in commissie”. Meer en meer worden er publieke spijtbetuigingen geuit, onder meer over de Holocaust en het slavernijverleden.

Volgens literatuurwetenschapper Michael Rothberg is het verwerken van de Shoah maatgevend geworden in het verzoeningsdiscours. Na de Tweede Wereldoorlog werden categorieën als genocide en genoegdoening uitgewerkt. Er kwamen publieke excuses. Beatrix deed dit in de Knesset in 1995, de paus in maart 2000 en de NS in 2005.

De afgelopen periode hebben diverse hoogwaardigheidsbekleders excuses aangeboden voor het slavernijverleden van Nederland. In al deze gevallen waren degenen die hun verontschuldigingen aanboden niet zelf direct dader. Er klonk een institutioneel ”mea culpa”. Hoe dan?

”Mijnen” en ”onzen”

Protestanten kunnen dat extra spannend vinden. Kierkegaard kreeg kriebels van het collectief. Neem nu dé vraag van Luther: „Hoe word ik rechtvaardig voor God?” Het bracht hem tot de Turmerlebnis in Wittenberg. De humanisten van de hervorming zijn herontdekkers van de individualiteit. Als jongen leerde ik dat je schuld en zonden moest ”mijnen” en dat je er allemaal uiteindelijk alleen voor staat. Over het ”onzen” van schuld en boete werd niet vaak gepreekt. Het woord ”ons” staat bovendien haaks op het levensgevoel van velen vandaag. Een van de grootste uitdagingen van de moderne tijd is immers de subjectiviteit.

Bestaat er zoiets als onze schulden? Laten we te rade gaan bij deskundigen.

Generaties

Je kunt deze vraag stellen aan juristen. Civilisten hebben weet van het leerstuk van de groepsaansprakelijkheid (art. 6:166 BW). Als een groep buurjongens de auto van tante Trien sloopt, zijn ze ieder voor zich hoofdelijk aansprakelijk voor de schade. Ook al stond je erbij en keek je ernaar.

Er is ook een paradigmaverschuiving gaande in het aansprakelijkheidsrecht. Kan historisch onrecht eigenlijk wel verjaren? Inmiddels is sprake van doorbrekingsjurisprudentie en heeft de rechtspraak in een aantal gevallen de deur naar het verleden niet definitief gesloten (zoals in het geval van roofkunst uit de Tweede Wereldoorlog).

Staatsrechtsgeleerden spreken over de ministeriële verantwoordelijkheid. De minister is verantwoordelijk en aanspreekbaar voor het ”doen en laten van zijn taken” (definitie Raad van State) én dat van al zijn of haar ambtenaren. De ministeriële verantwoordelijkheid wordt sinds het ontstaan ervan in de 19e eeuw steeds ruimer geïnterpreteerd. Denk aan het opstappen van het complete kabinet-Kok II in 2002 na het rapport over de val van Srebrenica in 1995.

Als je met psychologen spreekt over onze schulden, wijzen ze op de langjarige invloed van familiesystemen. Fouten van opa beïnvloeden onbedoeld en ongewild het leven van kleinkinderen. Familieopstellingen (een vorm van psychotherapie waarbij wordt gezocht naar onbewuste patronen uit de familie die in het heden problemen veroorzaken) worden populairder.

De theologen dan. Neem de Tien Woorden van Wijsheid: „Ik, de HEERE, uw God, ben een ijverig God, die de misdaad der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde en vierde lid van hen die Mij haten.”

Jarenlang vond ik dit moeilijk. Wat kunnen kinderen nu doen aan fouten van hun ouders? Totdat een predikant me erop wees dat deze passage ook over een transgenerationeel trauma zou kunnen gaan. Traumatische effecten die meerdere generaties meegaan. Tot aan het derde en vierde geslacht toe. Er komt steeds meer literatuur hierover. Zowel wetenschappelijk als literair. Denk bijvoorbeeld aan de roman ”Viktor” van Judith Fanto over het zwijgen in een Joodse familie over de geheimzinnige broer van hun opa. „Waarom stopt mijn familie niet met onderduiken?”

Bescheiden taal

Foute structuren werken generaties lang door. Totdat er iemand opstaat in een familie, vragen stelt en een weg opent naar het erkennen en belijden van het kwade van korter of langer geleden, zodat er ruimte komt voor herstel en verzoening.

Zondigen doe je niet alleen; vergeven doe je niet alleen. Dit roept nieuwe vragen op. Kun je als bevoegd gezag alleen namens een instituut spijt betuigen? Of kun je als regeringsleider ook een collectieve schuldbekentenis uitspreken die de hele samenleving aangaat? En ingewikkelder nog: bestaat er ook zoiets als collectieve vergeving? Intermenselijk gesproken: wie zou dit dan moeten doen?

In ieder geval: hoe langer het onrecht geleden is, hoe bescheidener de taal die past. Dat laat onverlet dat je vandaag wél naar woorden kunt zoeken naar aanleiding van het historische onrecht van vroeger.

Het is juridisch en moreel uitlegbaar dat je als rechtsopvolger woorden geeft aan hetgeen je rechtsvoorgangers misdeden. Hoe? Dat heeft ieder instituut voor zichzelf te wegen. Het benoemen van oude schulden –en dat kan op verschillende manieren– heeft al waarde. Al is het symbolisch. Dat het een opluchting voor kleinkinderen en achterkleinkinderen kan zijn als hun transgenerationele trauma’s erkenning krijgen: „Ik zie je. Ik erken je pijn.” Er is ook goede symboolpolitiek. Op ootmoed staat geen houdbaarheidsdatum, op barmhartigheid doen evenmin.

Mr. drs. Pieter Verhoeve is burgemeester van Gouda. Dit is zijn toespraak tijdens de residentiepauzedienst op 18 juni in de Waalse Kerk in Den Haag.