Maak ruim baan voor gerechtigheid

Zonder gerechtigheid heersen hebzucht en willekeur, maar als we ruim baan maken voor de gerechtigheid, dan licht het Koninkrijk Gods soms zomaar even op.

Nederland is een democratische rechtstaat. We hebben gelukkig onpartijdige rechters die onafhankelijk hun oordeel vellen. En wat is het een kostbaar goed dat wetten tot stand komen in een vrij gekozen parlement, waar minderheden voluit hun stem kunnen laten horen. Maar tegelijk betekent dat niet dat alle wetgeving daadwerkelijk recht brengt in de individuele levens. Er zijn mensen die verstrikt raken in bureaucratische regelingen. Mensen die geen uitweg meer zien uit de schulden, met een overheid die vooral schuldeiser is en minder een helper die weer perspectief geeft.

Een op de negen kinderen groeit op in armoede. Dat is een onvoorstelbaar aantal voor een rijk land, met een overheid die voor zoveel gecompliceerde situaties verstandig beleid kan ontwikkelen.

Een volksvertegenwoordiger heeft de kostbare plicht om te blijven onderzoeken waar het scheef zit, waar mensen niet uit de put worden gehaald, maar er soms zelfs in worden geduwd door overheidsbeleid. De plicht ook om te blijven zoeken naar ruimte voor mensen die het niet of maar beperkt redden op de arbeidsmarkt. Om te blijven werken aan vermindering van het aantal kinderen in armoede.

Te leen

De kerkvader Augustinus heeft ons in zijn grote werk over de stad Gods rijke lessen meegegeven, zoals het prachtige zinnetje: „Wanneer de gerechtigheid opzijgeschoven is, wat zijn koninkrijken anders dan grote roversbenden?”

Het komt erop aan de gerechtigheid te bevorderen. In het dankbare besef dat alles wat we hier hebben, gekregen is, te leen is. De overheid kan niet uit willekeur handelen, maar is gebonden aan het recht. In Nederland moeten alle inwoners erop kunnen vertrouwen dat de staat zich aan de rechtsregels houdt en dat rechtspraak en parlement dat controleren.

Gerechtigheid is niet per definitie de wet die is vastgesteld door de meerderheid van stemmen. Gerechtigheid ziet verder. Het is de gerechtigheid van onze Here die de maat bepaalt in Zijn Koninkrijk. Hij onderzoekt en oordeelt de harten. Zonder gerechtigheid heersen hebzucht en willekeur, maar als we ruim baan maken voor de gerechtigheid, dan licht het Koninkrijk Gods ook in de weerbarstige werkelijkheid van deze wereld soms zomaar even op.

Wij leven Gode zij dank in vrijheid. We mogen met mensen van heel verschillende achtergronden en overtuigingen het goede zoeken voor onze samenleving. Tegelijk zijn we niet naïef en hebben we weet van het kwade. We zien onrecht. In het klein in onze nabije omgeving, in het groot als de machtigen der aarde hun cynische schaakspel met de volkeren lijken te spelen. Hoe zullen wij daarmee omgaan?

Augustinus bepaalt ons bij de gerechtigheid. Die bevorderen, is de taak van de overheid, maar ook van de onderdanen. We zullen telkens opnieuw ons leven mogen neerleggen in de handen van de trouwe God, met de wil om ons leven aan Hem te geven. Antwoord te zijn op Zijn oproep. Dat doen we in het grote vertrouwen dat de macht van het kwaad niet het slotwoord heeft. Onze Here en Heiland heeft het kwaad overwonnen. Wij dragen daarom altijd de hoop met ons mee.

In de Waalse kerk in Den Haag wordt iedere derde dinsdag van de maand een residentiepauzedienst gehouden. Een predikant spreekt een meditatie uit, waarna een politicus van een van de christelijke partijen een toespraak houdt. Deze toespraak is van Mirjam Bikker, Eerste Kamerfractievoorzitter van de ChristenUnie.

Ons land snakt naar een vader

Het autoriteitsprobleem in de Lage Landen is een chronisch wantrouwen in autoriteiten geworden. Dat kan zomaar omslaan in een ziekelijk verlangen naar een sterke leider, een soort koning, een vader. Dat gebeurt ook in Nederland.

Het advies van Prediker is helder: gehoorzaam de koning (Prediker 8:2). Prediker geeft er een reden bij. Die koning is de baas; wat hij beveelt, gebeurt ook. Een iets eigentijdsere vertaling zou luiden: wees niet burgerlijk ongehoorzaam, maar houd je aan de regels, eerbiedig de wet en respecteer autoriteiten en instituten.

Het is een advies dat in onze Lage Landen niet bepaald in heel vruchtbare aarde is gevallen. Zeker sinds de jaren zestig hebben we in ons land geregeld last van een ziekelijk autoriteitsprobleem. Pim Fortuyn beschrijft in zijn boek over de ”Verweesde Samenleving” hoe zijn generatie in opstand kwam tegen vaders en wetten en er succesvol mee afrekende. Het was de opstand van een jonge generatie tegen elk vanzelfsprekend gezag van bestuurders, gezagdragers en politici. Het was een middelvinger richting iedereen die hun de wet voorschreef. Het was een autoriteitsprobleem dat ontaardde in een opstand tegen de koning zelf. In ons geval dan een koningin.

Het was een van de eerste schokkende maatschappelijke gebeurtenissen die ik meemaakte: de inhuldiging van koningin Beatrix in 1980 in Amsterdam, met intense straatgevechten tussen krakers en politie. Onder het motto ”geen woning, geen kroning” gingen krakers de straat op en gooiden ze met alles wat los en vast zat richting de politie. Van gehoorzaamheid aan de koningin, aan gezagdragers in het blauw, aan burgemeesters was weinig sprake. Prediker had kunnen zeggen wat hij wilde, maar hier was geen redden meer aan.

Tragiek

Met de opstand tegen de vaders –zo beschrijft Fortuyn– gingen ook hun wetten aan de kant. In dezelfde beweging – zo zou ik eraan willen toevoegen – ging ook hun kerkelijke gemeenschap eraan, werd afscheid genomen van hun God. En de tragiek is, zo schrijft Fortuyn over zijn eigen generatie, dat we zelf nooit vaders zijn geworden en nooit meer nieuwe wetten hebben gemaakt. We leven daarom nu in een verweesde samenleving.

In onze tijd wordt er niet meer met stenen naar de politie gegooid, maar worden de koningen van onze tijd met tweets bestookt. Met Facebookberichten vol wantrouwen en cynisme. Ons ziekelijke autoriteitsprobleem is een chronisch wantrouwen in autoriteiten en instituten geworden. Voor een fors deel van onze bevolking is het helder dat elke koning, iedereen met een officiële positie, het op hen gemunt heeft. Doorrekeningen van planbureaus deugen niet en de rekenmeesters doen dat met opzet. Ze spelen onder een hoedje met politici die slechts uit zijn op macht en geld en daarom het gewone volk uitbuiten. De mainstreammedia hebben zich ook bij dit monsterverbond aangesloten door al deze feiten te verdoezelen. Het is een politiek-wetenschappelijk-journalistiek-elitair complex dat niets anders verdient dan ons diepste wantrouwen.

We zijn als de jongste, verloren zoon, die in het verhaal van Jezus zijn erfenis opeist en afscheid neemt. Alles beter dan gedwee gehoorzamen en geloven dat je vader het beste met je voor heeft. Alleen bleek het voor die jongste zoon in de wijde wereld alleen maar leuk zolang hij geld had. Toen hij de erfenis erdoorheen had gejaagd, eindigde hij bij de varkens, met honger in zijn maag en met heimwee naar huis.

Sterke leider

Daar zitten we dan. Bij de varkens. Zonder vader, zonder wetten. Zonder ook maar iemand die ons ziet, ons hoort, voor ons opkomt. Niemand die ons de weg naar huis kan wijzen. Als je zo op die plek zit, kun je ziek worden van heimwee. Het ziekelijke autoriteitsprobleem, het heimwee naar huis, kan zomaar omslaan in een ziekelijk verlangen naar een sterke leider, een soort koning, een vader. En je ziet het in deze wereld gebeuren. Feilbare mannen die zich voordoen als een vader die je een terugkeer naar huis beloven, de veiligheid van een sterke natie, de terugkeer van grootse tijden die er nooit zijn geweest. En onderdanen die snakken naar een vader die hen even aan de borst drukt.

Zelfs in onze Lage Landen zie je links en rechts politici die ons verlossing beloven, een herstel van tijden van weleer, een terugkeer naar het verloren paradijs. Met uiteraard het koningschap van die ene politicus als voorwaarde ervoor. Een cultuur die heeft afgerekend met zijn vaders en zijn wetten, een land dat zijn koningen eerst met stenen en later met tweets heeft verjaagd, snakt naar een vader. Maar zolang feilbare politici zich voordoen als verlossers en zolang veel mensen hen geloven, zullen we tot een verblijf bij de varkens veroordeeld blijven.

Genezing

Het enige wat ons kan verlossen, is genezing. We moeten genezen worden van ons ziekelijke autoriteitsprobleem. Als ons bestuur is wat het in de woorden van Abraham Lincoln is: „Of the people, by the people, for the people” (van het volk, door het volk, voor het volk), dan is het een heilzame instelling met gezaghebbers die we in vrijheid kunnen kiezen en op een gezonde manier kunnen gehoorzamen. Dan tellen we onze zegeningen met onze rechtsstaat, met ons aller gelijkheid voor onze wet, onze scheiding der machten, onze vrije en vreedzame verkiezingen. Dan realiseren we ons dat een goede samenleving begint met liefde voor mijn naaste. Dan hebben we een koning die je heel goed kunt gehoorzamen. Maar dan moeten we ook genezen worden van het ziekelijke verlangen naar een sterke leider, naar een aardse verlosser en vader. Onze overheid is geen vader en geen enkele politicus is een verlosser. Ik al helemaal niet.

Als we van dat ziekelijke verlangen genezen zijn, kan er een heilzaam verlangen komen naar een Koning die je wél kunt vertrouwen, die de rechtvaardigheid zelf is. Dan is er ruimte voor verlangen naar een Vader die je opwacht, hoe ver je ook bent weggelopen. Een Vader die, hoezeer je ook stinkt naar de varkens, je wel aan de borst drukt. Want dat vertelde Jezus. Hij is de Koning met de doornenkroon, de Koning die zijn leven gaf voor zijn onderdanen, en in Hem is nog nooit iemand teleurgesteld geraakt. Hij is een Koning met hoop voor een verweesde samenleving.

In de Waalse kerk in Den Haag wordt elke maand een residentiepauzedienst gehouden. Een predikant spreekt een meditatie uit, waarna een politicus van een van de christelijke partijen een toespraak houdt. Deze toespraak is van Gert-Jan Segers (CU).

Het kwetsbare midden verdient de volle aandacht

In de Waalse kerk in Den Haag wordt elke maand een residentiepauzedienst gehouden. Een predikant spreekt een meditatie uit, waarna een politicus van een van de christelijke partijen een toespraak houdt. Deze toespraak is van dr. Eppo Bruins (ChristenUnie).

Op de EHBO-cursus leerde ik dat je niet eerst de mensen moet helpen die kermen of klagen. De mensen die géén geluid maken, zijn er het slechtst aan toe.

Als politicus heb ik gemerkt dat dit ook geldt voor een gezond land: zij die nooit klagen, verdienen onze volle aandacht. Zij zijn vaak juist de mensen die ons land draaiende houden. Zowel om hun verdiencapaciteit (economie) als om hun inzet als vrijwilligers, als mantelzorgers of als ouders.

Zij worden door de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) „het stabiele en kwetsbare midden” genoemd. Aan het vooruitgangsoptimisme rond deze groep is echter een eind gekomen. De WRR ziet drie bedreigingen: de afgenomen waarde van een middelbare opleiding, het verdwijnen van administratieve en dienstverlenende beroepen en de moeite om rond te komen van een modaal salaris.

Bezaleël

De afgenomen waarde van een middelbare opleiding is een van de grootste culturele problemen van onze tijd. Steeds meer jongeren willen per se een zogenaamd hogere opleiding. Maar het resultaat daarvan is dat veel mensen niet tastbaar meer bijdragen aan onze samenleving. We leiden wel heel veel managers, hoofden, coördinatoren en zogeheten ”young professionals” op, maar wie komt er van school en kan zeggen: „ik heb een vak geleerd”?

Het is veelbetekenend hoe de Bijbel naar vakmanschap kijkt. De eerste persoon in de Bijbel die vervuld werd met de Geest van God (”Ruach Elohim”) was Bezaleël. Hij was de oppervakman en leidde alle andere vakmannen op. Samen zouden ze de tabernakel bouwen, volgens de instructies die Mozes had gekregen.

Laten we daarom weer vakmensen opleiden, laten we hen waarderen en beseffen dat onze maatschappij draait dankzij slimme mensen die echt wat kunnen.

Rust

Terwijl in de afgelopen vijftien jaar opeenvolgende kabinetten oog hadden voor de ”bovenkant” of de ”onderkant” (of voor allebei), werden de middengroepen over het hoofd gezien. Het effect daarvan is dat sommige mensen met een net, modaal salaris minder overhouden dan iemand die in de bijstand zit. En dat de meeste kinderen die in armoede opgroeien dat doen in een gezin waar ten minste één ouder wel degelijk betaald werk verricht.

Zo zijn de middengroepen steeds kwetsbaarder geworden. Want de huizenprijzen zijn de pan uit gerezen, rondkomen van één salaris is niet meer mogelijk, er is geen keuzevrijheid meer bij het verdelen van zorg en werk, gezinnen trekken weg uit de stad, vaste contracten worden schaars, de pensioenopbouw is onzeker, de energierekening valt tegen en de zorg wordt duurder. En dan lees je ook nog al die dwingende berichten in de krant over warmtepompen en stekkerauto’s.

Als koning Salomo voor het volk bidt (1 Koningen 8), eindigt hij met een zegen: „Geloofd zij de HEERE, Die Zijn volk Israël rust gegeven heeft.” Het volk heeft rust nodig. Dit doet me denken aan wat Jezus zei: „Kom tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijn, en Ik zal u rust geven” (Mattheüs 11:28).

Ik denk dat veel mensen in het spitsuur van het leven vermoeid en belast zijn en rust nodig hebben. De meest kwetsbaren in onze maatschappij hoor je niet klagen, maar ze hebben wel behoefte aan rust, stabiliteit en zekerheid.

Zachtmoedigheid

Er is een partijleider in de Tweede Kamer die wedergeboorte (Renaissance) als thema heeft gekozen. Hij wijst terug naar de Griekse mythologie, de Verlichting, de hoogcultuur van voorbije eeuwen. Hij vertelt groots en meeslepend hoe mooi ons land ooit was en hoe slecht we het nu hebben. Hij verkondigt een wedergeboorte van ons land, onze cultuur, onze identiteit.

Het thema wedergeboorte en de behoefte aan rust en zekerheid laten bij mij heel andere bellen rinkelen. Jezus zegt: „Neem mijn juk op je en leer van Mij, want ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en je zult rust vinden voor je ziel, want mijn juk is zacht en mijn last is licht” (Mattheüs 11:29-30). Jezus richt zich juist tot mensen die moe zijn en die een flinke last op de schouders hebben te dragen. We zien aan Hem dat nieuwe hoop geven, gebeurt vanuit een houding van zachtmoedigheid en nederigheid. Daar ligt het begin van een antwoord voor iedere christen-politicus.

Ik wil opkomen voor de mensen die dit land dragen. Het kwetsbare midden. Dat lukt niet door te beweren dat oude tijden zullen herleven. Hoopvolle politiek kijkt niet achterom, maar wijst vooruit, is realistisch en rechtvaardig. Daarin wil ik, wankelend en tastend, blijmoedig en bevreesd, proberen het goede te doen, juist voor deze mensen.

Kom uit je comfortabele bubbel

In de Waalse kerk in Den Haag wordt elke maand een residentiepauzedienst gehouden. Een predikant spreekt een meditatie uit en een politicus van een van de christelijke partijen houdt een toespraak. Deze toespraak is van Pieter Grinwis (ChristenUnie/SGP).

Bij een ”verdrukte vreemdeling” denken we niet zo gauw aan een Nederlandse christen, maar eerder aan bijvoorbeeld Asia Bibi, die in Pakistan ter dood werd veroordeeld. Dan leven wij toch erg comfortabel. We mogen naar de kerk. We kunnen zelfs onze stem laten horen in de politiek. Zelden wordt het vervelend of naar. Wij wonen immers in een democratische rechtsstaat, waar we een stil en gerust leven kunnen leiden en God mogen dienen.

Tegelijk is het risico natuurlijk levensgroot dat we ons laten meevoeren door de hoofdstroom van de cultuur. Dat we ons helemaal thuis voelen in ‘Babel’. Terwijl we ook het lef moeten hebben om tegen de stroom in te zwemmen.

Shalom

Mij trof wat de niet-gelovige Bas Heijne schreef naar aanleiding van de woorden van Jezus in de Bergrede (Matth. 5:46-47): „En als jullie alleen je broeders en zusters vriendelijk bejegenen, wat voor uitzonderlijks doe je dan?” Hij schreef: „Er is niets comfortabels aan deze woorden. Ze klinken als smalende aanklacht tegen de mens die het zichzelf in alle opzichten gemakkelijk wil maken, die zich koestert in zijn gevoelde verwantschap met gelijkgestemden, en in permanent gedeelde verontwaardiging over de ander. Jezus richt zich tegen mensen die geriefelijk in hun bubbel zitten, tot dezelfde sociale laag behoren, mensen die dezelfde mening hebben, mensen die het bij voorbaat met elkaar eens zijn, mensen die elkaar aan één stuk door bevestigen in wat ze toch al vinden” (NRC 6-4).

Heijne vertaalt de aloude radicale oproep om onze vijanden lief te hebben naar onze tijd dus met de oproep: kom uit je bubbel waarin je continu bevestigd wordt in je eigen mening, over je eigen groep en over die ander. Die oproep klinkt al in Jeremia 29: Jeremia roept de ballingen in Babel op hun koffers uit te pakken, huizen te bouwen, tuinen aan te leggen, te trouwen, kinderen te krijgen en zich in te zetten voor de bloei en vrede van die heidense stad. Terwijl de ballingen het oog vol heimwee op Jeruzalem gericht hebben, moeten ze integreren in Babel. Dat door hen gevreesde en misschien wel gehate Babel moet een stad vol ”shalom” worden.

Biblebelt

Natuurlijk is dat spannend, bijvoorbeeld als je kinderen in de klas nog de enigen zijn die naar de kerk gaan. Als je zelf op de werkvloer of in de gemeenteraad de enige bent die nog iets heeft met Jezus en Zijn kruis. Veel christenen trekken zich niet voor niets terug in Barneveld of Benthuizen, Oldebroek of Ouddorp. Juist tegen deze bewoners van de Biblebelt wil ik zeggen: Kom uit je bubbel. Kom naar Den Haag, Amsterdam of Rotterdam.

Natuurlijk, de woningmarkt is ingewikkeld. Betaalbare huizen voor gezinnen zijn nauwelijks meer te krijgen. Starters worden uit de stad weggedrukt door beleggers en expats. Per saldo krimpt het autochtone deel van Den Haag met 1250 mensen per jaar (vooral gezinnen uit de middenklasse trekken weg) en groeit het deel met een migratieachtergrond (en vaak ook een andere religieuze achtergrond) met 7250 per jaar.

Juist hier, waar christenen een kleine minderheid zijn geworden, is het belangrijk om zich als christelijke jufs en meesters, verpleegkundigen en ambtenaren, ondernemers en werknemers te vestigen. In deze stad, die seculier én multireligieus is. Waar, om met Paulus te spreken, het kruis dwaasheid is (1 Kor. 1:16). Maar waar je ook in ontspannenheid iets van het christelijk leven kunt laten zien en zo de vrede voor je omgeving kunt zoeken (Jer. 29).

Opstanding

Onze grote steden verschillen wat dat betreft niet veel van het Athene van Paulus’ dagen. Verontwaardigd over de vele afgodsbeelden, over alle machten die mensen overheersen, loopt Paulus door die stad. Tegelijk legt hij verbinding met de epicureeërs en stoïcijnen en haakt hij aan bij het altaar voor de onbekende god. Zo grijpt hij met beide handen de kans aan om op de Areopagus over die God te vertellen. Zijn gehoor luistert geboeid, totdat Paulus over de opstanding gaat spreken. Dat is voor de meesten het sein om het verhaal van Paulus, van Christus, niet meer serieus te nemen.

Maar hoewel velen afwijzend of schouderophalend reageren op de uitspraak dat het kwaad door Christus aan het kruis is overwonnen, hebben toch steeds weer mensen de onvoorstelbare stap richting Christus gezet. Na Paulus’ toespraak op de Areopagus ging het om Dynonisius, Damaris en anderen. Na hen zijn er velen gevolgd, vaak ondanks dreigende uitsluiting en vervolging. Nog steeds zien we de voorbeelden van mensen wier bubbel werd doorgeprikt. Die niet zozeer zochten, maar toch werden gevonden. Niet alleen in de Biblebelt, gelukkig ook in een stad als Den Haag.

De auteur is fractievoorzitter van de ChristenUnie/SGP in de Haagse gemeenteraad.

Christen moet zich spiegelen aan ervaringen van vreemdeling

In de Waalse kerk in Den Haag wordt elke derde dinsdag van de maand een residentiepauzedienst gehouden. Een predikant spreekt een meditatie uit, waarna een politicus van een van de christelijke partijen een toespraak houdt. Deze toespraak is van prof. dr. Roel Kuiper (ChristenUnie).

Als in de Bijbel het woord ”vreemdeling” valt, dan moeten gelovige christenen de oren spitsen. Het gaat dan niet over anderen, maar over henzelf. Christenen zijn vreemdelingen op aarde. Hun definitieve woning is niet ”beneden” maar ”boven” (2 Kor. 5). Vreemdelingschap is een centraal motief in de apostolische brieven in het Nieuwe Testament.

Wanneer Petrus in zijn eerste brief zijn christelijke toehoorders aanspreekt als ”vreemdelingen en bijwoners” (1 Petrus 2:11) kiest hij voor woorden met diepe Bijbelse wortels. Hij wil dat christenen begrijpen dat hun vreemdelingschap niet losstaat van de ervaringen van het slavenvolk Israël in Egypte. De uitdrukking ”vreemdeling en bijwoner” slaat daar rechtstreeks op terug. Zo was Israël in Egypte. Het werd er gekleineerd en misbruikt. Daarom bevat de bevrijdende wet van God, de wet van de Sinaï, een reeks bepalingen om de vreemdeling grond onder de voeten, een bestaan, een eigen recht toe te kennen. Het refrein was steeds: „Bedenk dat uzelf vreemdeling (of slaaf) bent geweest” (Deut. 10:19). Israël mocht nooit vergeten wat het betekent om als vreemdeling geknecht te worden. Jahweh is een God Die de vreemdeling redt en hem een perspectief geeft. Tegen deze achtergrond wordt duidelijk waarom christenen pelgrims op aarde worden genoemd (Hebr. 11:13-16). Wij hoeven ons niet te hechten aan ons bestaan op aarde, want God heeft een ”vaderland” voor ons.

In de brief van Petrus komt die paradoxale spanning tussen het leven in het hier en nu en onze toekomst elders scherp tot uitdrukking. Zie de hele passage in 1 Petrus 2:9-16. Het volk van God heet ”koningen en priesters”, een ”heilige natie” en tegelijkertijd ”vreemdelingen en bijwoners”. Dat volk onderscheidt zich door het goede op aarde te doen en aardse machthebbers te eren. Elders heet het dat christenen burgers zijn, maar dan wel van een ander vaderland. Het is het én-én van het Koninkrijk van God. Het Koninkrijk is er al en daarom is er in deze wereld de weg van een bevrijdende en reddende God, maar de volheid van dit alles is nog komend en een belofte voor de toekomst. Van beide werkelijkheden zijn christenen deel. Die paradox vormt het hart van de Bijbelse vreemdelingschap.

Liefdeloosheid

In onze wereld kan de ervaring van vreemdelingschap niemand ontgaan. Er zijn grote migratiestromen, miljoenen vluchtelingen zijn op drift, samenlevingen zijn een smeltkroes van culturen, vele nieuwkomers doen hun best om in een nieuw thuisland een bestaan op te bouwen. Dit brengt spanning en ongemak.

In een globaliserende wereld, waarin mensen meer dan ooit kennisnemen van wat er in de wereld omgaat, is de ervaring van vreemdelingschap geïntensiveerd. Juist dan is het goed te beseffen dat wijzelf ook altijd vreemdelingen op aarde zijn, zelfs al leven we misschien al ons leven lang in dezelfde plaats of in hetzelfde land. Het besef dat wij geen blijvende stad op aarde hebben, behoedt ons voor xenofobie (vreemdelingenangst). We zijn allemaal als pelgrims die op doorreis zijn.

Christenen moeten zich spiegelen aan de ervaringen van de vreemdeling. Daarbij hoort ook de ervaring van het niet welkom zijn, de onverdraagzaamheid jegens vreemdelingen, het misbruik dat gemaakt wordt van iemands zwakke positie, rechteloosheid.

Ook de politieke arena kent onverdraagzaamheid: het niet (kunnen) accepteren van de ander zoals deze is. Daarbij horen ook de uitingen van de ander, diens woorden en gedragingen. Natuurlijk keuren we het niet goed als mensen zich niet houden aan wat samen is afgesproken. Er zijn woorden en gedragingen die buiten de orde zijn. Een Kamervoorzitter kan een Kamerlid berispen of aangeven dat ”onparlementaire” taal niet is toegestaan. Maar intolerantie gaat dieper. Dan verdragen we een ander niet om wie hij of zij is. We verdragen het andere van de ander niet. Dat is een daad van liefdeloosheid. Tolerantie betekent: ruimte maken voor de ander, ook al zijn we het met de leefwijze, het gedrag of de opvattingen van hem of haar niet eens.

Haat, verdriet en wanorde

Het andere van de ander kan een extra dimensie geven aan de omgang met elkaar, een bron van vernieuwing en verwondering zijn. Maar tegelijkertijd weten we dat het samenleven met zo veel verschil en diversiteit een opgave is. Het kan schuren en botsen, achterliggende denkpatronen en waarden kunnen tot onbegrip en irritatie leiden. Dan blijkt echte tolerantie een hele kunst. Soms is elkaar de ruimte geven het maximaal haalbare.

In de politiek heeft de afkeer van het vreemde geleid tot debatten over bevolkingsgroepen die zich moeten aanpassen of zelfs moeten verdwijnen. Uitingen in de media of het parlement zijn soms ronduit grof of beledigend. De taal van de onverdraagzaamheid begint zich een steeds grotere plaats te verwerven in de politieke arena.

Onverdraagzaamheid is een gif dat het samenleven ondermijnt. Het kan van alle kanten komen, vanuit ieder hart dat deze onverdraagzaamheid toelaat, vanuit ieder besef van eigen superieure identiteit. Deze onverdraagzaamheid kan zich richten tegen Marokkanen, maar ook tegen Joden. Zij kan mannen en vrouwen uitsluiten, ouderen en jongeren benadelen, met als resultaat dat mensen zich onveilig, ongewenst of overbodig voelen. Dit gif voedt het wantrouwen, de achterdocht, de minachting. Vervolgens raken verbindingen verbroken, mijden mensen de omgang met elkaar en lukt het samenleven en samenwerken niet meer. Wie onverdraagzaamheid zaait, oogst haat, verdriet en wanorde.

Concordia

De filosofe Julia Kristeva, zelf een politiek vluchteling uit Oost-Europa, schreef het boek ”De vreemdeling in onszelf”. Zij stelt zich de vraag hoe het komt dat de integratie van ”vreemde aspecten” in de westerse (Europese) cultuur zo moeizaam gaat.

Volgens Kristeva staat het moderne individu de integratie van vreemdelingen in de weg. Zij bedoelt daarmee het individu dat waakt over zijn autonomie en eigenheid. Zelfgerichte autonomie kan niet goed omgaan met het andere van de ander. Dat andere, het vreemde, moet dan verdwijnen of zich geheel assimileren. Wie zo van de eigen autonomie uitgaat, kan niet omgaan met verschil en niet echt tolerant zijn. Hij vlucht liever in een of andere identiteitspolitiek.

Op sommige oude gemeentehuizen vindt men het woord concordia: eendracht. Tolerantie is een eerste stap op weg naar deze eendracht, zonder welke goed samenleven niet lukt. Tolerantie is een samenlevingsdeugd, die gevoed moet worden in kerken, op scholen en in de politieke arena, te beginnen bij het spreken van bestuurders en parlementariërs. Tegelijkertijd is het slechts een eerste stap en niet meer dan dat. Het gaat erom dat we er daadwerkelijk zijn voor elkaar, dat burgers zich inzetten voor het welzijn van alle anderen, dat vormen van maatschappelijke liefde tot bloei komen. Niet voor niets is solidariteit een maatschappelijke deugd. Maar dit alles wortelt in de liefde, en de liefde drijft het kwaad van de onverdraagzaamheid uit.

Voor christenen luistert dit alles bijzonder nauw, juist omdat zij in de Bijbel worden aangesproken als ”vreemdelingen en bijwoners”. Wat dat is en wat dit met zich meebrengt, mogen zij niet vergeten. Integendeel, het helpt hen om te beseffen dat God ons allen ziet en dat Hij elders een stad bereid heeft. Onze stad is niet op de aarde, maar in de hemel. De kerkvader Augustinus sprak over die beide steden, die twee werkelijkheden, en wist dit: werkelijk blijvend is de liefde, niet de amor sui, de liefde voor onszelf, maar de amor Dei, de liefde voor God, de Schepper van alle mensen. Dat is de liefde waar de vreemdeling op is aangewezen.

De auteur is voorzitter van de ChristenUniefractie in de Eerste Kamer.

Christen is vreemdeling met roeping voor het alledaagse

In de Waalse kerk in Den Haag wordt iedere derde dinsdag van de maand een residentiepauzedienst gehouden. Een predikant spreekt een meditatie uit, waarna een politicus van een van de christelijke partijen een toespraak houdt. Deze toespraak is van Mirjam Bikker (ChristenUnie).

„En aangezien u Hem Die iedereen beoordeelt naar zijn daden, zonder aanzien des persoons, Vader noemt, moet u tijdens uw leven als vreemdeling ook ontzag voor Hem hebben. U weet immers dat u niet met zoiets vergankelijks als zilver of goud bent vrijgekocht uit het zinloze leven dat u van uw voorouders had geërfd, maar met kostbaar bloed, van een lam zonder smet of gebrek, van Christus” (1 Petrus 1:17-19).

De apostel Petrus spreekt de gelovigen aan als vreemdelingen. In onze tijd hebben we wel een beeld bij vreemdelingen. We denken aan de verschoppelingen, degenen die vluchten vanuit oorlogsgebied. Of we denken aan de discussies over de voorzieningen voor nieuwkomers in Nederland. Velen in ons land zetten zich in om vluchtelingen een goed onthaal te geven.

Er wordt veel gesproken over wat nu wijs is als er een vluchtelingenstroom op gang komt. Welke verantwoordelijkheid heeft ons land dan? Of blijven de rijke landen naar elkaar kijken? Je kunt immers niet alle vluchtelingen zelf opvangen? En we merken dat vreemdelingen heel vaak niet het beste in onze samenleving naar boven halen. Het besef dat we zelf ook een vreemdeling zijn, klinkt in weinig debatten door. Het is al snel wij versus zij.

Dubbel paspoort

De Bijbel is vertrouwd met vreemdelingen. Hoe vaak krijgt het volk Israël niet te horen dat ze zelf eens vreemdelingen waren in het land Egypte. Petrus gaat een stap verder. We zijn in ons hele leven vreemdeling. Niet omdat we gevlucht zijn, maar omdat we geroepen zijn.

Ik moet denken aan Abraham, die huis en haard verliet, omdat hij geroepen was. Voortaan was Abraham een vreemdeling, die leefde vanuit de belofte. Hem was beloofd dat hij het land zou beërven, maar het enige wat hij aan het einde van zijn leven had, was het graf van zijn vrouw Sara, een klein lapje grond. Hem was beloofd dat zijn nakomelingen talrijk als de sterren zouden zijn, als de zandkorrels op het strand, maar wat heeft hij lang moeten wachten op zijn zoon Izak.

Toch hield Abraham ontzag voor Zijn Heer, Die hem geroepen had.

En nu noemt Petrus ons vreemdelingen. Geroepen mensen, weg van het zinloze bestaan van hun voorouders. Kunnen zulke mensen eigenlijk actief zijn in de politiek? Is juist dat niet het terrein van zinloosheid? Van veel gepraat, van ”much ado about nothing” (veel drukte om niets)? Draait het niet daar vaak om de kenmerken van een zinloos bestaan? Om de goden van deze tijd: aandacht, macht en geld? Horen vreemdelingen daar te komen? Kunnen pelgrims plaatsnemen op het pluche? Kun je op het Binnenhof een vreemdeling zijn, iemand met een dubbel paspoort?

Vrijgekocht

Het schitterende in de tekst die we met elkaar overdenken, is dat Petrus ons niet alleen vreemdelingen noemt. Maar „vríjgekochte” vreemdelingen. Dat zijn mensen die een andere identiteit hebben gekregen. Een identiteit die niet meer ligt in de successen van deze wereld, in meetbare zaken als geld en carrière. Niet meer gevangen wordt in de eisen of maatstaven voor een leven dat telkens nieuwe hoogtepunten moet kennen, in vrolijke foto’s op sociale media, in een leven dat geliket wil worden.

Maar net zo min ligt de identiteit in het afstand houden van alles wat seculier is, in isolement en opsluiting. Alsof zout alleen zijn kracht bewaart in het zoutpotje zelf. De luiken dicht, laat buiten de storm maar razen, wij warmen ons aan elkaar in de kleine kring van soortgenoten.

Nee! We zijn vreemdelingen, vrijgekocht door Christus. Hij roept ons, Hij voldoet de schuld en plaatst ons in Zijn vrijheid. Een vrijheid die ons niet op onszelf richt, op geld en goed, maar op de ander. De wees en de weduwe, de arme en de verdrukte, de zieke en de hongerige, naar hen keek Christus om. Een vrijheid die ons ook in een nieuwe ruimte zet in de omgang met het alledaagse. Want het is deze schepping, het is dit aardse bestaan dat God ons geeft.

Alledaagse

Binnenkort zijn er gemeenteraadsverkiezingen. Ik krijg weleens de vraag wat de gemeenteraad nou met christelijke politiek te maken heeft. Gaat het merendeel van de vergaderingen niet over bestemmingsplannen, parkeren, fietspaden en bouwvergunningen? In de gemeente spelen toch geen ethische kwesties?

Zo’n vraag gaat eraan voorbij dat alles, ja echt alles, ons in bruikleen is gegeven. We mogen ons zeer inzetten voor het alledaagse wat God geeft. Er goed voor zorgen en er vreugde in vinden. Dan doen ook goede straatverlichting en een stoep waar een rollator overheen kan ertoe.

De prioriteiten verschillen per plaats. Hier moet de veiligheid beter en daar is er te weinig woonruimte voor senioren. Maar niets is zo gering, betrekkelijk of onbelangrijk dat we er niet aandachtig en eerbiedig mee bezig kunnen zijn.

Of zoals Micha 6:8 zegt: „Er is jou, mens, gezegd wat goed is, je weet wat de Heer van je wil: niets anders dan recht te doen, trouw te betrachten en nederig de weg te Voorbeelden

Deze tekst uit Micha geeft ons allemaal een opdracht, waar we ook gesteld zijn. Los van de maatstaven van hedendaags succes. Wie zijn identiteit in Christus vindt, komt in een nieuwe vrijheid. De geschiedenis geeft ons voorbeelden van mannen en vrouwen die juist zo de moed en kracht vonden om een nieuw licht in de duisternis te kunnen laten schijnen. Sprekende voorbeelden die mij aanmoedigen om ook in het politieke leven telkens opnieuw te weten dat wij van onze Here afhankelijk zijn.

Alleen zo vond William Wilberforce de kracht om te blijven strijden voor de afschaffing van de slavernij. Alleen zo kon aartsbisschop Tutu in Zuid-Afrika de weg naar waarheid en verzoening wijzen. Alleen zo werd Groen van Prinsterer een van de belangrijke grondleggers van de christelijke politiek, op een manier die tot vandaag toe doorwerkt. En juist Groen heeft ons erbij bepaald dat het dan niet alleen om de grote bewegingen en idealen gaat. Of zoals hij schrijft: „Laat ons getrouw zijn, een iegelijk op zijn post: laat ons bedenken dat, zoo het ons niet gegeven wordt groote dingen te verrichten, de ergste ontrouw in de kleinste zaken wordt gepleegd.”

Koninkrijk

Petrus herinnert ons eraan dat we vreemdelingen zijn. We mogen soms de tekenen van het Koninkrijk dat is en dat komt al zien. We mogen elkaar er verheugd op wijzen. Dat neemt niet weg dat er nog veel plaatsen zijn die in de verste verte niet op het Koninkrijk lijken.

De tekst uit 1 Petrus spoort ons aan om toch niet ontmoedigd te raken. We leven ondanks alles in de verwachting van het Koninkrijk. We zijn midden in de wereld door God geroepen en worden zo niet moe het goede te doen en te zoeken. Omdat we vrijgekocht op doorreis zijn. Net als Abraham verwachten we een andere stad. En we mogen om ons heen kijken en de kleine sporen van het Koninkrijk al zien. Om de belofte van het Rijk dat komt niet te vergeten.

De auteur is Eerste Kamerlid voor de ChristenUnie.

Naar elkaar omzien hoort heel normaal te zijn

In de Waalse kerk in Den Haag wordt elke derde dinsdag van de maand een residentiepauzedienst gehouden. Een predikant spreekt een meditatie uit, waarna een politicus van een van de christelijke partijen een toespraak houdt. Deze toespraak is van dr. Eppo Bruins (ChristenUnie).

Als Petrus in 1 Petrus 1:8 schrijft: „Verheugt u met een onuitsprekelijke en verheerlijkte vreugde”, bedoelt hij denk ik niet dat ik maar de hele dag blij moet zijn. Gevoelens van melancholie, onzekerheid en twijfel zijn heel natuurlijk en horen bij het leven. Er zijn momenten van rouw en we lopen onze wonden op. Het zijn juist die wonden die ons wijzer en rijper maken.

Henri Nouwen schrijft in zijn boek ”The Wounded Healer” (”De gewonde genezer”): „Niemand ontkomt eraan gewond te zijn. We zijn allemaal gewonde mensen: fysiek, emotioneel, mentaal of geestelijk. De belangrijkste vraag is echter niet hoe we onze wonden kunnen verbergen, zodat we er niet door in verlegenheid gebracht worden, maar hoe we onze wonden, ons gewond zijn, ten dienste kunnen stellen van de ander. Wanneer onze wonden niet meer een bron van schaamte maar een bron van genezing worden, worden wij een gewonde genezer” (wounded healer).

Als politicus van een christelijke partij streef ik naar een rechtvaardiger samenleving. Natuurlijk, je hebt een drive om recht te maken wat krom is, om juist de kwetsbare op het oog te hebben en te zorgen dat je een hand uitsteekt naar wie uit de boot dreigt te vallen. En het is bijzonder om te zien wat we als kleine partij, eerst als oppositiepartij en nu als kleinste regeringspartij, voor elkaar hebben kunnen krijgen. Dan zie je dat dit niet voor niets is, en dat we soms net iets ten goede kunnen veranderen in dit land.

Maar náást dat politieke handwerk en de veranderingen die we teweeg kunnen brengen, merk ik als Tweede Kamerlid dat je een voorbeeldrol hebt. Hoezeer politici in de publieke opinie ook worden gezien als zo’n beetje de laagste diersoort in de rangorde, toch kijken mensen naar je. Ze kijken naar je op, ze verwachten heel veel van je. Mijn mailbox stroomt dagelijks over van mensen die hun zorgen bij mij neerleggen en het van mij verwachten. Soms zelfs als laatste strohalm, omdat ze het echt niet meer zien zitten.

Vaak, als ik op werkbezoek ga, merk ik dat mensen hun verhaal kwijt willen. Ze móéten het vertellen. De juf die het echt niet meer volhoudt met 32 kindertjes in de klas, de visserman die te maken heeft met onmogelijke Brusselse regeltjes, de arbeidsgehandicapte die ondanks de belofte van 30.000 werkplekken maar niet aan het werk komt, de oudere die bang is dat hij niet in zijn huis kan blijven wonen als de wet-Hillen wordt afgeschaft. Ze móéten het vertellen. En ik móét luisteren.

Stel je toch voor dat ik geen wonden zou hebben. Dat ik een happy clappy blije christen zou zijn die zich nooit zorgen maakt en op deze mensen met al hun terechte zorgen maar reageer met –hoe zegt Petrus dat?– „verheugt u met een onuitsprekelijke en verheerlijkte vreugde.” Hoe zou ik als christenpoliticus hoop of troost kunnen brengen als ik er alleen maar op zou wijzen dat je blij moet zijn?

Als christenen, en ook als christenpolitici, horen wij ten diepste vreugdebrengers, hoopbrengers, te zijn. Juist door mee te voelen met de wonden van anderen, wetend dat het leven niet alleen maar leuk is, kunnen we troost en hoop brengen in onze samenleving.

We mogen erop wijzen, hoewel er een boel scheef zit in onze maatschappij, dat er plekken van hoop zijn waar we zien dat God aan het werk is door mensen heen. Ik denk aan het Leger des Heils, aan de stichting Present, aan verpleegkundigen, onderwijzers, agenten. Ik denk aan de maatschappelijke diensttijd waartoe we jongeren willen verleiden, om zich juist in hun jonge jaren in te zetten voor die ander.

De ChristenUnie verlangt naar een samenleving waarin het heel normaal is dat we naar elkaar omzien. Omdat ”worden wie je bent” alleen maar vorm kan krijgen in relatie tot de ander. De Joodse filosoof Martin Buber schreef al dat de mens pas werkelijk mens wordt én is in relatie tot de ander.

„In Hem gelooft gij, zonder Hem thans te zien, en gij verheugt u met een onuitsprekelijke en verheerlijkte vreugde.” Het is wel degelijk die gedachte die mij ertoe brengt om iedere ochtend weer mijn bed uit te komen. Want te weten dat Iemand ons kent Die naast ons staat, Die ons hoort, Die dezelfde wonden heeft, dat geeft hoop in ons leven. Laten we daarom ook zo zijn voor de ander. Voor die ene die het niet meer ziet zitten. Die géén reden meer heeft om zijn bed uit te komen.

Want ons verlangen naar geluk laat zien dat wij zijn gemaakt om te leven in het paradijs. Laten we daar dan als vreugdevolle vreemdelingen, in Godes naam, ook zelf werk van maken. Op hoop van zegen.

De auteur is Kamerlid voor de ChristenUnie.

Zachtmoedigheid en politiek

In de Waalse kerk in Den Haag wordt iedere derde dinsdag van de maand een residentiepauzedienst gehouden. Een predikant spreekt een meditatie uit, waarna een politicus van een van de christelijke partijen een toespraak houdt. Deze toespraak is van Pieter Grinwis (ChristenUnie/SGP).

Precies een week geleden presenteerden Rutte, Buma, Pechtold en Segers hun regeerakkoord ”Vertrouwen in de toekomst”. Verschillende records werden en passant gebroken. Wat duurde het lang, nog langer dan de formatie van het kabinet-Van Agt/Wiegel in 1977. En wat is het regeerakkoord dik, dikker dan welk regeerakkoord ook. En wat is er hard onderhandeld.

De totstandkoming van zo’n regeerakkoord heeft toch weinig met zachtmoedigheid te maken? Zachtmoedig onderhandelen is toch naïef? Als je even iets te toegeeflijk bent, ben je je punt kwijt. En de nieuwe regering is nog niet aangetreden of menig kopstuk heeft ongezouten zijn of haar waarheid aan de beoogd premier meegedeeld. Eerder ‘hardmoedig’ dan zachtmoedig. En als een keer niet onbarmhartig de waarheid wordt verteld, dan wordt er wel om de hete brij heen gedraaid. Dat is niet zachtmoedig. Dat is in het geheel niet moedig.

Wat kun je eigenlijk met zachtmoedigheid in de politiek? Het heeft zo’n softe bijklank. Zachtmoedig zijn is echter niet wankelmoedig of soft of naïef zijn. Het vraagt juist lef om én zacht én moedig te zijn. Om je neer te buigen over iemand in plaats van je neerbuigend over iemand uit te laten. Om mild én eerlijk te zijn. Om een ander niet onbarmhartig maar genadig de waarheid te zeggen.

Tijdens de onderhandelingen waren er ook van die momenten dat onderhandelaars beseften dat, zoals Carola Schouten het zaterdag liet optekenen in een interview, de pijn van jezelf altijd groter lijkt dan die van de ander. Je kunt nog zo overtuigd zijn van je eigen gelijk, als je beseft dat de ander echt een probleem ergens mee heeft en dat je allebei met een verhaal naar buiten moet komen en mee in plaats van tegen gaat denken, dan kom je verder. Dat vraagt om ”zachtmoedige wijsheid”, zoals Jakobus dat noemt. Om verbinding in plaats van verwijdering.

Natuurlijk gaat de zachtmoedige wijsheid waar Jakobus het over heeft een onderhandelingsproces waarin wordt gegeven en genomen verre te boven. Maar toch, zelfs in onderhandelingen op het scherp van de snede kan een geest van zachtmoedigheid bijdragen aan het overbruggen van grote verschillen.

Is er daarmee dan ook een zachtmoedig regeerakkoord? Dat durf ik niet te zeggen. Ik denk dat zachtmoedigheid in de politiek zeker van doen heeft met de inhoud ervan. De zachtmoedigen roepen immers om recht, zo wordt duidelijk uit Psalm 37. In een wereld vol onrecht doen zij recht. Ze keren zich af van het kwade en doen het goede. Tegen het dikke ik, tegen zelfgenoegzaamheid en voor verbondenheid en wederkerigheid.

Daarmee is zachtmoedigheid niet alleen een kwestie van inhoud maar zeker ook van stijl. Een zachtmoedige in de politiek herken je toch vooral aan de manier waarop hij of zij politiek bedrijft. Niet terugslaan als je wordt aangevallen, en je tegelijk toch niet aangevallen voelen.

Mozes leidde op een uitgesproken krachtige wijze het volk Israël uit Egypte naar het beloofde land. Hij was allesbehalve een watje of een wankelmoedig man. En bovendien een man die, zeker in zijn jongere jaren, driftig en agressief kon zijn. Wat lezen we echter over Mozes als zijn leiderschap door nota bene zijn broer Aäron en zijn zus Mirjam in twijfel wordt getrokken? „Maar de man Mozes was zeer zachtmoedig, meer dan alle mensen die op de aardbodem waren” (Num. 12:3).

Terwijl in dat derde vers van Numeri 12 een boze of bittere reactie op haar plaats leek, worden we geconfronteerd met de zachtmoedigheid van Mozes. In plaats van met boosheid en bitterheid, met agressiviteit en arrogantie, komen we in aanraking met mildheid, bescheidenheid, welwillendheid, vriendelijkheid, vredelievendheid, zachtheid, nederigheid, geduld, zelfverloochening, liefde.

Niet dat Mozes altijd zo was, integendeel. Ook voor hem was zachtmoedigheid een levenslang leerproces. Maar toch, die houding van Mozes is een belangrijke les voor ons. Of om het eigentijds te zeggen: „If they go low, we go high” (Michelle Obama).

Zachtmoedigen mogen vertrouwen hebben in de toekomst. Jezus zegt immers: „Zalig zijn de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde beërven.” Uiteindelijk trekken niet de sterksten, niet de brutaalsten, niet de gewieksten aan het langste eind. De toekomst van de wereld is niet een resultaat dat wijzelf kunnen boeken, maar een erfenis die ons wordt toegekend. En Jezus wijst zachtmoedigen aan als wettige erfgenamen van het leven.

Zou het ons lukken om het leven zachtmoedig te vervolgen? Gelukkig zegt Jezus: „…leer van Mij dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart…” Dat is een levenslange leerschool, in de politiek en daarbuiten, aan de voeten van Jezus, Die Zelfs aan het kruis nog bad: „Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat ze doen.” Met deze onvoorstelbaar zachtmoedige Jezus voor ogen mogen we onze weg vervolgen. Op hoop van zegen.

De auteur is fractievoorzitter van de ChristenUnie/SGP in de Haagse gemeenteraad.

Goedheid in de politiek?

In de Waalse kerk in Den Haag wordt iedere derde dinsdag van de maand een residentiepauzedienst gehouden. Een predikant spreekt een meditatie uit, waarna een politicus van een van de christelijke partijen een toespraak houdt. Deze toespraak is van Roel Kuiper (CU).

Politiek en goedheid, is dat een combinatie? Wat is er goed aan een politiek die door nalatig toezicht mensenlevens in gevaar brengt, zoals bij de flatbrand in Londen? Wat is er goed aan een permissief drugsbeleid, waardoor vele jongeren hun leven ruïneren? We zien politici die handelen uit eigenbelang, „graaiende bestuurders.” Wat is hier ”goed”? Kan de politiek, in de vorm van het werk van bestuurders, parlementen en regeringen, iets beginnen met dit begrip?

Er zijn politieke theorieën die stellen dat we het in de politiek helemaal niet over goedheid moeten hebben. Liberale theorieën zeggen dat de politiek zo’n norm niet voor iedereen kan vaststellen. Iedereen heeft zo zijn eigen idee over wat goed is of gelukkig maakt, de overheid kan niet een van die ideeën over het goede leven omarmen, laat staan dwingend opleggen. De overheid is er om recht en orde te bewaren, de overheid is geen geluksmachine.

Wie Romeinen 13 leest, zou kunnen denken dat de Bijbel dit ook zo ziet. Daar wordt van de overheid gezegd dat ze het zwaard draagt en boosdoeners straft. Er wordt over goedheid gesproken, maar dat betreft het handelen van u en mij, van burgers. Wij worden opgeroepen om het goede te doen, want dan hoeven we die grimmige overheid niet te vrezen. Maar er staat nog iets bij: de overheid is er „u ten goede.” De overheid is er voor ons welzijn en zal zich daarom moeten oriënteren op een idee van het goede. Het gaat in de Bijbel wel degelijk om het goede voor heel de samenleving.

Dit ”gemeenschappelijk goede” wordt wel aangeduid met de Latijnse term ”bonum commune”. De gerechtigheid en de orde die overheidspersonen hebben te brengen, moeten resulteren in het gemeenschappelijk goede. Vandaag zouden we dit begrip vertalen met ”algemeen belang”, of nog beter: ”algemeen welzijn”. Politici dienen zich in te zetten voor het welzijn voor allen. Mensen vragen zich echter af of overheden het algemeen welzijn wel echt dienen. Wat is er gebeurd met de kwaliteit van voorzieningen, met veiligheid en bescherming, met de kloof tussen arm en rijk?

Er is een tijd geweest waarin gedacht werd dat de markt het maar van de overheid moest overnemen. Publieke diensten, toezicht en uitvoering werden in handen gelegd van private bedrijven die goedkoper konden werken en hoe dan ook het aandeelhoudersbelang dienden. Maar juist daardoor heeft de burger zich nog meer in de steek gelaten gevoeld.

De Bijbel gaat ons erin voor dat overheden het welzijn in de samenleving hebben te behartigen. Rijkdom en armoede zijn vraagstukken van de overheid. De veiligheid van mensen is een taak van de overheid. Welvaart en welzijn heeft ze op het oog. De Bijbel heeft daar een heel mooi woord voor: ”Sjalom”. Sjalom gaat niet alleen over vrede, maar ook over rechtvaardigheid, vrijheid, goedheid. Als God Zelf in het land woont, ontmoeten goedertierenheid en trouw elkaar en zullen gerechtigheid en vrede elkaar kussen (Psalm 85:11). Dat is sjalom.

Kunnen overheden dit in een gebroken wereld bewerken? Gezegend het land waarin een overheid hier althans voor wil werken. Laat ze zich inzetten voor een wereld waarin mensen veilig zijn, in vrede kunnen leven en gezinnen kunnen stichten, waar het leven beschermd en niet voortijdig beëindigd wordt, waar Gods schepping gerespecteerd wordt en haar vrucht draagt. Een wereld die tot ontplooiing kan komen, zoals God het bedoeld heeft.

De Bijbel roept ons op om het goede te doen voor alle mensen. In de Bijbel en de christelijke ethiek gaat het over naastenliefde en het belang van anderen. De westerse democratieën, met hun aandacht voor het algemeen belang en het welzijn van allen, zijn ook in dit opzicht gebouwd op christelijke waarden en normen. Die ”goedheid” is kostbaar en vraagt dagelijks onderhoud. Christenen moeten in hun levensstijl of gedrag niet uitstralen dat zij vooral hun eigenbelang op het oog hebben.

De politiek is soms een toonbeeld van bedrog, doortraptheid en slechtheid. In de politiek kun je je karakter vaak moeilijk verbergen. Wat in de mens zit, wordt openbaar. Daarom heeft de politiek mensen nodig van goede wil, die het goede doen en goede trouw tonen. Zij raken aan het verlangen dat in ieder hart sluimert. Het verlangen naar goedheid in de samenleving, het verlangen naar een wereld waarin gerechtigheid woont. Laten we ons daar als christenen blijvend voor inzetten.

De auteur is fractievoorzitter van de ChristenUnie in de Eerste Kamer.

Voor geduld is moed nodig

In de Waalse kerk in Den Haag wordt iedere derde dinsdag van de maand een residentiepauzedienst gehouden. Een predikant spreekt een meditatie uit, waarna een politicus van een van de christelijke partijen een toespraak houdt. Deze toespraak is van Carola Schouten (CU).

Lankmoedig zijn, daar is moed voor nodig. Want het kan soms intens moeilijk zijn. Ik moest eraan denken toen begin dit jaar de film ”Silence” uitkwam in Nederland. Hierin wordt het waargebeurde verhaal verteld van de christenvervolging in Japan in de zeventiende eeuw. Twee priesters gaan op zoek naar hun mentor, die in Japan verdwenen is. In het land worden ze geconfronteerd met de gruwelijke vervolging van hun broeders en zusters, die gemarteld, gekruisigd, verdronken of levend verbrand worden.

Het verhaal speelt zich lang geleden af, maar is nog even actueel. We horen dezelfde verhalen over onze geloofsgenoten in Afghanistan of Noord-Korea. Christenen zijn nu de meest vervolgde groep mensen op aarde. Wat betekent geduld dan nog? Is er dan nog de moed om vol te houden?

De Bijbel is geen boek waarin alleen geduldige mensen worden opgevoerd, die hun lot zonder klagen dragen. De Bijbel is hier heel realistisch in. David schreeuwt het in Psalm 13 uit. Hoelang nog, Heer, zult u mij vergeten? Hoelang verbergt u voor mij uw gelaat?

Ook wij mogen het uitschreeuwen. Hoe lang nog, Heer? Wanneer komt er een einde aan dit onrecht? Wanneer komt U terug op aarde? God gruwt van onrecht, zo lezen we telkens weer. Maar Hij heeft ook geduld met deze wereld.

Cyprianus, een oude kerkvader, zei eens: „Geen mens kan over geduld iets zinnigs zeggen, tenzij hij het geduld van God heeft leren kennen. In God heeft alle geduld zijn oorsprong en vanuit Gods geduld krijgt alle menselijke geduld haar schittering en waardigheid.”

Paulus houdt ons in zijn brief aan de Efeziërs een spiegel voor. Zijn ongeduld om het evangelie te verspreiden zal groot zijn geweest. En toch spreekt hij over lankmoedigheid als een vrucht van de Geest. Juist Paulus wist heel goed hoeveel geduld God met hem had. In Timotheüs 1 schrijft hij: „Ik was de eerste aan wie God Zijn grote geduld betoonde, zodat ik een voorbeeld ben voor allen die in Hem geloven en het eeuwig leven ontvangen.” Paulus, de man die christenen had vervolgd, was gered door het geduld van God. Zoals het volk Israël ook zo vaak was gered door het geduld van God.

Onze jachtige maatschappij wordt eerder gekenmerkt door ongeduld dan geduld. We zijn het niet meer gewend lang te wachten. Soms laten we juist met de beste bedoelingen van de wereld ons ongeduld prevaleren. In de politiek is dat een grote valkuil. Om eerlijk te zijn, merk ik het ook aan mezelf. Je wilt zo graag je ideeën ten uitvoer brengen. Mensen bijvoorbeeld de waarde van het leven laten inzien, van het eerste begin tot aan het einde van het aardse leven. Het belang van onze mooie schepping laten zien, en duidelijk maken dat we gevraagd zijn daarvoor te zorgen. Het is zo verleidelijk om te denken dat ons handelen dat allemaal kan bewerkstelligen. Dat we in de politiek ervoor kunnen zorgen dat deze wereld een beetje beter wordt.

Als je het nieuws van vandaag hoort, zou je juist bijna moedelozer worden over de toestand in de wereld. Wanneer we horen van bombardementen op vluchtelingenkonvooien en gifgasaanvallen op kleine kinderen in Syrië. Wanneer er grote dreiging is rond Noord-Korea. Wanneer er in Afrika miljoenen dreigen te sterven van honger. Op die momenten is het enige wat je dan soms nog kunt uitbrengen: Heer, ontferm U.

Moeten we dan met onze armen over elkaar gaan wachten totdat ons geduld beloond wordt? Nee. Gods hand omvat de wereld, maar wij worden geroepen in deze wereld het goede te doen. We mogen zaaien en oogsten. Telkens afwachten op wat er weer komt. Maar in het vaste vertrouwen dat wat er ook gebeurt, God bij deze wereld is en zal blijven.

Ik kom nog terug op de film ”Silence”, waar ik in het begin over sprak. De priesters gaan op zoek naar hun mentor en worden geconfronteerd met de christenvervolging in Japan. Er is echter een manier voor christenen om de marteling en dood van henzelf, maar ook van anderen, te voorkomen. Ze moeten daarvoor op een zogenaamde fumie trappen. Een houten plank met daarop het gelaat van Christus. Een van de priesters komt voor het moment te staan dat hij de marteling en uiteindelijke dood van een aantal christenen kan voorkomen door dit te doen. Hij wordt gekweld door het idee. Is wanhopig. En dan hoort hij de woorden: „Trap maar. Trap maar. Ik ken de pijn in je voet het allerbeste. Trap maar. Ik ben in deze wereld gekomen om door jullie vertrapt te worden.”

In alle moeite, verdriet en ongeduld is dat de grootste hoop. God heeft Zijn geduld met ons niet verloren. Integendeel. Hij is ons ongeduld tegemoetgekomen. Hij heeft Zijn Zoon aan ons gegeven en de dood is overwonnen. Dat maakt dat wij lankmoedig kunnen zijn. In afwachting van Zijn wederkomst.

De auteur is lid van de Tweede Kamer voor de ChristenUnie.