Voor de toekomst van onze kinderen

In de Waalse Kerk in Den Haag wordt iedere derde dinsdag van de maand een residentiepauzedienst gehouden. Een Haagse predikant spreekt een meditatie uit, waarna een politicus een toespraak houdt. Deze toespraak is van Pieter Grinwis (ChristenUnie/SGP).

Afgelopen maand ben ik opnieuw vader geworden van een gezonde zoon. Als iets je doet stilstaan bij het thema ”toekomstgericht beleid” –het onderwerp van vandaag– dan is het wel de geboorte van je kind. In wat voor land komt hij terecht? Wat voor wereld laten wij hem na?

Deze vragen heb ik het afgelopen jaar ook mogen stellen in een ander verband. Ik mocht namelijk meeschrijven aan het verkiezingsprogramma van de ChristenUnie, dat afgelopen vrijdag werd gepresenteerd onder de titel ”Hoopvol realistisch. Voorstellen voor een samenleving met toekomst”.

In dit verkiezingsprogramma staat niet voor niets de toekomst van onze kinderen centraal. Niet omdat de andere generaties geen aandacht verdienen, maar we voelen allemaal wel aan dat de beslissingen van vandaag impact hebben op de wereld van morgen.

Een onderwerp waar je die langetermijnfocus ziet terugkomen, is de waarde van het gezin; elke christelijke partij onderkent deze waarde. Immers, als iets belangrijk is voor de toekomst van een samenleving, zijn dat stabiele en liefdevolle gezinnen waar kinderen een stevige morele basis krijgen voor de rest van hun leven.

De laatste jaren zien we de financiële druk op gezinnen toenemen, ook vanuit de overheid. Als je kijkt naar het steeds grotere verschil in belastingdruk tussen kostwinnersgezinnen en tweeverdienersgezinnen, is zo langzamerhand elke verhouding zoek. Voor de toekomst van onze kinderen, voor een gezonde samenleving, is het van groot belang dat de overheid de druk op gezinnen in het spitsuur van het leven niet nodeloos opvoert.

Een ander onderwerp dat bij toekomstgericht beleid in het oog springt, is de zorg voor de schepping. Als christenen weten we ons rentmeester van een kapitaal dat we ongeschonden hebben door te geven aan een volgende generatie. We hebben de schepping zogezegd in bruikleen van onze kinderen.

Meer dan bij de vorige twee financiële voorbeelden klemt het hoe we als politici en als samenleving in het algemeen tekortschieten in onze omgang met Gods schepping. Van de slechte luchtkwaliteit in een aantal van onze Haagse straten tot de plastic soep in de wereldzeeën. Van uitputting van bodemschatten tot aan steeds meer CO2-uitstoot.

Deze urgente opgaven zouden ons als christenen in beweging moeten brengen voor de schepping. En zeker ook de politiek. Want een duurzame energievoorziening en een duurzame economie krijg je niet zonder toekomstgericht beleid. Zo’n toekomst komt niet dichterbij zonder duidelijke duurzame keuzes.

Over toekomstgericht beleid valt veel meer te zeggen dan deze twee voorbeelden. Voor al deze vraagstukken heeft de Prediker wijze lessen: zie de werkelijkheid onder ogen, nuchter en realistisch. Kijk verder dan je neus lang is, verder dan vandaag en morgen. De eeuw is immers in ons hart gelegd. En de tijden mogen veranderen, ons leven mag vluchtig zijn, God blijft dezelfde.

Afgelopen week stond ik aan de rand van het graf; om onze laatste opa te begraven. Niets zo vreugdevol om nieuw leven te verwelkomen en niets zo droevig, zo definitief als de dood in de ogen te kijken en afscheid te moeten nemen. Ook als er verder mag worden gekeken dan de dood. Christus is ons voorgegaan. Wat de toekomst brengen moge, Hij brengt ons naar dat onbekende land.

Dat is heel andere taal dan die van de pleitbezorgers van de ”laatstewilpil”. Onder de misplaatste noemer van barmhartigheid stelt het kabinet mensen de dood op bestelling in het vooruitzicht. Zelfbeschikking tot het bittere einde. Alhoewel, zelfbeschikking, de staat voegt aan het ”voltooide leven” nog wel even een soort leeftijdsgrens en een stervenshulpverlener toe.

Voor christenen is er alle reden om naast mensen te gaan staan die eenzaam zijn, zich verloren, zich overbodig voelen en tegenover die laatstewilpil Gods ”laatste wil” te zetten. Zoals boven een van de ingangen van deze Waalse Kerk staat: „Kom naar Mij toe, allen die vermoeid en belast zijn, en Ik zal u rust geven” (Matth. 11:28). Het beste komt nog. Hoe het ook zal gaan, want:

In goede machten liefderijk geborgen

verwachten wij getroost wat komen mag.

God is met ons des avonds en des morgens,

is zeker met ons elke nieuwe dag.

Waar leef je voor?

In de Waalse kerk in Den Haag wordt iedere derde dinsdag van de maand een residentiepauzedienst gehouden. Een predikant spreekt een meditatie uit, waarna een politicus een toespraak houdt. Deze toespraak is van Carola Schouten (ChristenUnie).

Zo’n tweeënhalf jaar geleden stond er een klein berichtje in de krant. ”Vrouw ligt tien jaar dood in huis Rotterdam”, luidde de kop. Installateurs die de gasinstallatie kwamen vervangen, hadden haar gevonden. Ze bleek een natuurlijke dood te zijn gestorven.

Ik moest hieraan denken toen ik het thema van deze residentiepauzedienst hoorde: ”Alleen is alleen”. Wat moet de gevonden vrouw alleen zijn geweest. En wat zullen er nog steeds veel mensen zijn in onze maatschappij die werkelijk alleen zijn.

In een tijd waarin we op ieder moment van de dag (en nacht) moeiteloos kunnen communiceren met wie dan ook ter wereld, kennen we onze buren nauwelijks meer. In een tijd waarin het gaat om zien en gezien worden, herkennen we onze naasten amper meer. We leven samen –letterlijk–, maar hebben sterk de neiging op onszelf gericht te zijn.

Een triestmakende conclusie. Maar helaas niet nieuw. Prediker zag het al. Hij zag iemand die almaar aan het zwoegen was en rijkdom aan het vergaren. Waarom, vroeg Prediker zich af, probeer je hier je geluk uit te halen? Zijn advies: Wees niet uitsluitend voor jezelf bezig. Zie wie of wat er om je heen is. Pas dan kom je tot je recht; in de relatie tot anderen.

Het is beter om met elkaar en op de ander gericht te zijn, zo toont ook wetenschappelijk onderzoek aan. Je zou dan ook verwachten dat dit betekenis heeft voor hoe wij onze maatschappij willen inrichten. Maar als we eerlijk zijn, lijkt het eerste deel waar Prediker over spreekt –het almaar zwoegen en het vergaren van steeds meer rijkdom– de drijfveer van veel mensen te zijn geworden.

Sterker nog: dat lijken de richtingaanwijzers geworden voor keuzes die in het beleid worden gemaakt. Jarenlang horen we al dat meer betaald werk voor iedereen goed is. Er wordt aan alle kanten geprobeerd mensen –in jargon– te activeren. Tot en met de laatste belastingplannen aan toe.

Laat ik vooropstellen: er is niets mis met werk. Het is zelfs een Bijbelse opdracht: woeker met je talenten. Het wordt wel steeds knellender als dit louter om betaald werk gaat. We kunnen meer de focus leggen op geld verdienen en meer uren werken, maar ten koste waarvan gaat dit? Onze maatschappij zal economisch gezien wellicht rijker worden, maar in sociaal en relationeel opzicht armer als de ander niet of nauwelijks meer in het plaatje voorkomt.

Is er dan een tegenstelling tussen werk en zorg voor de ander? Niet per definitie. Dat lees ik ook niet bij Prediker. Hij combineerde die zaken juist! Als je samen zwoegt, ben je in ieder geval niet alleen, was zijn nuchtere analyse. Zijn centrale vraag was echter: Waar doe je het voor? Wat drijft je? Waar leef je voor? Voor jezelf en je eigen behoeften en verlangens, of voor de relatie met de ander?

Als dan de boodschap vooral, ook van de overheid, is dat het vergroten van de welvaart centraal staat, mis je de kern van wat Prediker bedoelde. Dan moet je niet raar gaan opkijken dat mensen hun familie of hun buren niet meer zien.

Toen de vrouw werd gevonden die tien jaar lang onopgemerkt was gebleven na haar overlijden, stelde een minister dat ze geen wet kon maken om dit soort situaties te voorkomen. Dat is waar. Maar we kunnen wel bijdragen aan een maatschappij en cultuur waarin we elkaar weer meer gaan zíén. Door te erkennen dat mensen tot hun recht komen in de relatie met elkaar. Dat tijd en ruimte daaraan geven van het grootste belang is. De les van Prediker.

Tegelijkertijd leest Prediker ons de les. Wat drijft ons werkelijk in dit leven? Soms best een confronterende vraag. Mogen mijn naasten meer van mij verwachten? Heb ik genoeg oog voor de ander? Ben ik met de goede dingen in het leven bezig?

Het valt niet mee om die vragen eerlijk te onderkennen en te beantwoorden. Wel is het een manier om scherp te blijven op onze prioriteiten. Maar bovenal om te zien waar echt geluk uit voortkomt. Prediker wist het antwoord al.

De auteur is lid van de Tweede Kamer voor de ChristenUnie.

Ontvangen om tot een zegen te zijn

In de Waalse kerk in Den Haag wordt iedere derde dinsdag van de maand een residentiepauzedienst gehouden. Een predikant spreekt een meditatie uit, waarna een politicus van een van de christelijke partijen een toespraak houdt. Deze toespraak is van Gert-Jan Segers (ChristenUnie).

Als Salomo in Prediker zijn leven en rijkdom in ogenschouw neemt, verzucht hij dat het niets meer is dan lucht en het najagen van wind. Al die decadentie, al die rijkdom, al die aardse voorspoed, al dat succes, het heeft volgens Salomo geen enkel nut.

Natuurlijk. Wij zijn geen Salomo. Hoewel. Bijna nergens elders in de wereld hebben mensen het zo goed als hier. Nergens is het onderwijs zo goed, hebben onze kinderen zo veel kansen als hier. Nog nooit is de gezondheidszorg op zo’n hoog niveau geweest als hier en nu. En nog nooit zijn er zo veel mensen wereldwijd geweest die graag met u en mij zouden willen ruilen. Materieel hebben we weinig te klagen.

Misschien kennen we wel iets van de verzuchting van Salomo. Wat voor zin heeft het allemaal? Mijn werk, dat ploeteren voor m’n hypotheek, voor het collegegeld van m’n kinderen, voor de afbetaling van m’n auto? Waar doe ik het allemaal voor? Ik werk om te leven en leef om te werken, en wat haalt het eigenlijk uit?

Misschien komt het nog dichterbij als we luisteren naar Gods verzuchting over vreugdeloos bezit en een vreugdeloos leven. Het is jaren na Salomo en ten tijde van de profeet Haggaï als God bij Zijn volk een pijnlijke diagnose stelt. God heeft Zijn volk weer teruggehaald uit de ballingschap en ze zijn vrije mensen met hun natje en hun droogje. Maar er kan geen lachje af. En er wordt een scherpe diagnose gesteld: Jullie werken hard, maar het levert weinig op. Jullie eten, maar hebben altijd honger. Jullie hebben mooie kleren, maar hebben het koud. En het geld dat jullie verdienen, verdwijnt steeds maar weer als sneeuw voor de zon.

Het zou een diagnose van ons Nederlanders kunnen zijn. Er zijn zo veel mensen elders in de wereld die met ons zouden willen ruilen, maar zelf zijn we vaak ontevreden. We hebben veel vakantiedagen, maar blijven steeds maar zo moe. We hebben meer dan genoeg, maar zijn soms doodsbang om het te verliezen aan vluchtelingen.

De diagnose die via Haggaï wordt gesteld, zou ook zomaar de diagnose van onze politiek en economie kunnen zijn. Politici zijn over ons land als de BV Nederland gaan praten. De economie werd alles en alles werd economie.

Tegelijk merken we aan alles dat geld en goed ons geen vrede geven, niet bepalend zijn voor ons geluk, voor een goed leven. Nu de economie weer iets meer op orde komt, zijn het ook andere en nieuwe vraagstukken die ons uit ons evenwicht halen. De komst van vluchtelingen, oorlog langs de randen van Europa, het verdrijven van christenen uit het Midden-Oosten, de groeiende kloof tussen rijk en arm, uitputting van Gods schepping. En misschien is het wel heel heilzaam dat de wereld om ons heen ons zo verontrust, ons uit onze comfortzone haalt.

Via Haggaï vertelt God de mensen wat eraan schort. Hoe het komt dat we dat geluk waar we naar snakken, maar niet bereiken. „Jullie zijn zo druk met jezelf”, zegt God, „maar jullie zijn Mij vergeten.” „Jullie zorgen heel goed voor jezelf, maar zien het allerbelangrijkste over het hoofd.” Het is de echo van Prediker. Het belangrijkste is niet het verwerven van rijkdom, aanzien en comfort. Al was het maar omdat je er toch niets van meeneemt.

Aan het einde van zijn zoektocht naar wijsheid en naar de zin van ons bestaan concludeert Prediker: Belangrijker dan dat is: ontzag voor God. Zijn geboden opvolgen. Dat is de opdracht voor elk mens.

Wat houdt die opdracht in? Rechtvaardig zijn. Of om het met Jezus’ woorden uit Mattheüs 25 te zeggen: om vluchtelingen en vreemdelingen niet aan hun lot over te laten. Naakten te kleden. Om gevangenen en zieken te bezoeken. Te helpen wie geen helper heeft. Je brood, je geld, je tijd te delen met de naaste die God op je pad plaatst.

We zijn gelukkig niet zo rijk als Salomo, maar het is een zegen als we genoeg hebben. Als we werk hebben, voldoende te eten en te drinken hebben, gezond zijn. Het is een zegen om in Nederland te mogen leven. Maar God maakt ons via Salomo, Jesaja, Haggaï en Jezus Zelf steeds weer duidelijk dat als we gezegend zijn, we die zegen krijgen om een zegen te zijn. Dat we bij alle materiële voorspoed die we ontvangen, nooit God en onze naaste mogen vergeten.

Om het vrij naar de Tsjechische econoom Tomas Sedlacek te zeggen: zonder werk en zonder inkomen sterven we, maar zonder liefde voor God en onze naaste hebben we geen leven.

De auteur is Tweede Kamerlid voor de ChristenUnie.

Gods liefde drijft de angst uit

In de Waalse kerk in Den Haag wordt iedere derde dinsdag van de maand een residentiepauzedienst gehouden. Een predikant spreekt een meditatie uit, waarna een politicus van een van de christelijke partijen een toespraak houdt. Deze toespraak is van Roel Kuiper (ChristenUnie).

Op leven en dood. Zo kan men Davids bestaan typeren. Ontelbaar waren de aanslagen op zijn leven en vaak ontsnapte hij ternauwernood aan de dood. David zelf had ook veel bloed aan zijn handen. In 2 Samuël 12 wordt hem de dood van een man, de onderofficier Uria, zwaar aangerekend. God laat dit ene geval niet ongezien passeren. Hij is er heel boos over.

Op leven en dood. Wij denken deze dagen aan de dramatische gebeurtenissen in Parijs, waar 132 mensen het leven lieten. Sommige deskundigen zeggen dat we er maar aan moeten wennen. De wereld is nu eenmaal onveilig en dit kan vaker voorkomen. Het verhaal over David en Uria laat zien dat we er nooit aan moeten wennen, omdat God er nooit aan went. De dood van ieder onschuldig mens is een groot kwaad.

Hoe moeten wij hierop reageren? Wij kunnen de aanslagen uit naam van ISIS niet onbeantwoord laten. En zeker, overheden zijn er om het kwaad te bestrijden en terroristen te vervolgen en te straffen. Maar hoe moet hierbij ten diepste onze houding zijn?

Haat is niet te overwinnen met haat, de opeenstapeling van geweld maakt onze wereld niet vredelievend en vrij. Er klinken dappere en vastberaden woorden, maar tegelijkertijd is er morele paniek en angst voor wat ons verder te wachten staat. Het antwoord ligt dan ook niet alleen in militaire toerusting, maar ook in geestelijke toerusting.

Niet lang geleden werd aan de Duitse bondskanselier Angela Merkel in verband met het vluchtelingenvraagstuk gevraagd of we bang moeten zijn voor verdere islamisering van het Westen. Haar antwoord was dat we als christenen niet in angst moeten leven, maar ze voegde er iets belangrijks aan toe. Hoe onderhouden we onze eigen godsdienst, de christelijke? Gaan we naar de kerk? Zijn we ”Bibelfest”, vroeg ze zich af. Wij kunnen in vrijheid en vrede met anderen leven, maar laten we niet vergeten dat die vrijheid een geestelijke grondslag heeft. Wat Europa nodig heeft is een hernieuwd zicht daarop. Wij hebben God nodig. Christelijke politici moeten dat blijven zeggen: het christelijk geloof is de geestelijke grondslag van onze vrijheid en onze vrede.

Ondanks een massieve secularisering overleeft in het Westen het christelijk geloof. Er wordt vandaag opnieuw naar gevraagd. Het verband tussen onze constitutionele vrijheden en de christelijke godsdienst wordt openlijk besproken. Laat dat inzicht verder groeien, juist nu, nu het crisis is. Onze vrijheden, onze vrede, begint bij de erkenning van de heiligheid van onze God. Dat vormt de basis voor het respect voor het leven, voor naastenliefde, gerechtigheid en trouw. Laten we daar als christenen onbekommerd over spreken. Laten we onze eigen verdeeldheid en interne discussies overwinnen, en spreken over de betekenis van ons geloof voor momenten zoals deze, spreken over de God Die de Immanuel is.

Dit is mijn hoop: dat er in Europa, „Gods continent” (Philip Jenkins), waar het christendom begon, er opnieuw gevraagd wordt naar dit geloof. Europa is te veel de reus op lemen voeten, innerlijk verdeeld, geseculariseerd en christelijk tegelijk. Er wordt nu dapper gezegd dat we door moeten gaan met ons leven, ons niet moeten laten intimideren. Maar als dit niet betekent dat we ons geestelijk wapenen, zal de angst niet werkelijk verdwijnen. God ziet alle dingen, Hij overziet de eeuwen en vergeet Zijn kudde niet. Hij wil erbij zijn, de Immanuel zijn, en nodigt ons uit Hem als zodanig te leren kennen in ons eigen leven. Als we Hem weer zien als onze Redder en Verlosser, zien we Hem verschijnen als de Koning van de koningen.

Wij leven in een wereld waarin ongekend en redeloos geweld zich breed kan maken. De overheid draagt het zwaard niet tevergeefs en zal moeten optreden, daar is geen twijfel aan. Maar voor christenen die in de samenleving actief zijn en dagelijks met anderen leven en optrekken is dit geen voorbeeld. Daar moeten we tonen wat de macht van de liefde is, de onderlinge betrokkenheid, vredelievendheid. Daar beantwoorden we haat niet met haat, koesteren geen vijandbeelden als er geen reden voor is, daar vragen we niet alleen naar ons eigen belang en welvaart, maar ook naar dat van anderen. Zo bouwen we al biddend en werkend aan de stad en het land. Die liefde drijft de angst uit. Christenen weten zich daarin gesterkt door de God Die tegen ons zegt: „Zie, Ik ben met U, tot aan de voleinding van de wereld” (Matth. 28:20).

De auteur is senator voor de ChristenUnie.

Het goede doen, in hoop op Christus Triomfator

In de Waalse Kerk in Den Haag wordt iedere derde dinsdag van de maand een residentiepauzedienst gehouden. Een Haagse predikant spreekt een meditatie uit, waarna een politicus een toespraak houdt. Deze toespraak is van Pieter Grinwis (ChristenUnie/SGP).

De zee, die steeds weer nam Zal eenmaal wedergeven Allen die zijn gebleven Aan Hem die eerst ontkwam De Heer van wind en water Aan Christus Triomfator

Dit gedicht van Inge Lievaart staat op het vissersmonument op de boulevard van Scheveningen. Het wordt elk jaar gedeclameerd tijdens de herdenking van op zee omgekomen Scheveningse zeelieden. Als raadslid heb ik die herdenking nu een paar keer mogen meemaken.

Den Haag is een stad aan zee. Een stad ook die internationale stad van vrede en recht wil zijn. Natuurlijk ziet die marketingleus op alle internationale instellingen op het gebied van vrede en recht in onze stad. Maar wat merken we in de praktijk van alledag van vrede en recht? Ik was nog maar net raadslid of pro-ISIS-betogers gingen in de Schilderswijk de straat op met hun antidemocratische en antisemitische leuzen. Tot en met de gemeenteraad aan toe was er sympathie voor ISIS/IS.

Een paar maanden geleden sloeg, nadat Mitch Henriquez tijdens een arrestatie was overleden, op dezelfde plek de vlam opnieuw in de pan. Rellen braken uit. Het recht struikelde op de straten. Vrede en recht zijn op zo’n moment ver te zoeken.

Maar juist op dit soort kritieke momenten staan er ook mensen op die heel concreet de vrede voor onze stad zoeken. Ik was bijzonder getroffen hoe de Marthakerk aan de Hoefkade (hartje Schilderswijk) de dagen na de dood van Mitch haar deuren opende voor wijkbewoners en belangstellenden. Mensen konden hun gevoelens uiten, een gebed opzenden, een kaars ontsteken of gewoon de stilte zoeken te midden van het woelen van deze wijk, van deze stad. Deze kerk hoopte met haar openstelling een bijdrage te leveren aan de rust in die wijk en onze stad.

Een mooi voorbeeld van hoe we als christenen, als kerk, in deze tijd naaste kunnen zijn, hoe we er kunnen zijn voor onze stad. Want dat is natuurlijk best wel een vraag: Hoe hebben we als christen, als christenpoliticus, te staan in deze seculiere tijd? Ik vind de bekende slotsom van Bonhoeffers doopbrief wat dat betreft inspirerend: Bidden, het goede doen onder de mensen en wachten op God.

Het goede doen, de vrede voor de stad zoeken. Niet alleen met christenen, maar met iedereen van goede wil. Heel praktisch. Werk oppakken dat anderen laten liggen. Je huis openstellen, bijvoorbeeld voor vluchtelingen – prachtig, dat initiatief van christenen in Apeldoorn! Verbindingen leggen tussen mensen in plaats van hen in de hoek te zetten.

En in de politiek? Eigenlijk niet veel anders, natuurlijk met inachtneming van de grenzen van de politiek, van waar de overheid over gaat. Zonder pretenties, zonder maakbaarheidsidealen en belangeloos het goede doen. Met God midden in de wereld, midden in de politieke arena staan.

Dat is natuurlijk makkelijk gezegd, maar lang niet eenvoudig. Onze fractie, maar vele collega’s met mij, proberen dat door goed te luisteren naar de noden van mensen. We strijden tegen onrecht, zoals in de prostitutie. Na die pro-ISIS-demonstraties zijn we de wijk ingetrokken. We bezochten scholen en joodse instellingen, hadden indringende gesprekken met moslims, we schreven een nota met concrete voorstellen, die het college vervolgens voor een groot deel overnam. Maar ja, was dat ”het goede doen”? Of was het vooral politiek handig?

Het zit hem natuurlijk niet alleen in de inhoud, maar ook in de stijl van optreden. Ik noem maar iets kleins. Ons team van de ChristenUnie/SGP benadert alle collega’s open en onbevooroordeeld. Dat klinkt natuurlijk vanzelfsprekend. Maar ik merk dat het dat allerminst is in de zeer gepolariseerde Haagse raad.

Morgen is het Prinsjesdag. Een traditie die inmiddels ruim 200 jaar oud is. Dat is natuurlijk een lange tijd, maar steekt bleekjes af bij het eeuwige koningschap van Jezus Christus, waarover het gaat in het tekstgedeelte van de meditatie vandaag (2 Sam. 7:12-16).

Als ik sta in de wind op de boulevard bij de herdenking van omgekomen zeelieden, turend over het water, zijn het vooral deze woorden die beklijven en kracht en hoop geven: Hij Die eerst ontkwam, de Heer van wind en water, Christus Triomfator.

De auteur is fractievoorzitter van de ChristenUnie/SGP in de gemeenteraad van Den Haag.

De ark van God, midden in de wereld

In de Waalse kerk in Den Haag wordt iedere derde dinsdag van de maand een residentiepauzedienst gehouden. Een predikant spreekt een meditatie uit, waarna een politicus van een van de christelijke partijen een toespraak houdt. Deze toespraak is van Gert-Jan Segers (CU).

In 2 Samuël 2 lezen we dat de ark van God naar Jeruzalem wordt gebracht. Het is alsof er in dat verhaal twee werelden bij elkaar komen. De grote, heilige God komt midden in onze gevallen, zondige wereld. Twee werelden die voor ons gevoel helemaal niet bij elkaar horen. Maar dat is wel wat er gebeurt als David de ark van God naar Jeruzalem haalt. Als hij de ark, waaraan de Naam van de Heer van de hemelse machten is verbonden, plaatst in Jeruzalem, in het politieke hart en het maatschappelijke centrum van Israël.

Het hele verhaal laat zien dat God via de ark plaatsneemt in het hart van de samenleving. Het is alsof hier de hemel de aarde aanraakt. Wat God hier in dit verhaal zegt, is dat wat Hij op zo veel andere pagina’s van de Bijbel zegt. Hij zegt: „Ik ben erbij, Ik ben Immanuel.” God laat hier zien dat Hij echt de ”God met ons” is, Degene Die niet loslaat wat Zijn hand eenmaal begon.

God schiep deze wereld en was er trots op, het is Zijn wereld. Toen wij begonnen te zondigen en de paradijselijke vrede met God voorbij was, liet Hij Zijn wereld toch niet in de steek. Hij vroeg: „Adam, waar ben je?” Hij wees Abraham en zijn kinderen de weg, gaf hun tien leefregels en Hij zond profeten om Zijn volk steeds te herinneren aan Gods wil met het leven. Boven alles werd God Zelf deelgenoot aan dit leven in Jezus Christus. Jezus werd een van ons, ging naar trouwerijen en begrafenissen, at met het uitschot van de samenleving, genas zieken, sprak met prostituees en landverraders, had verdriet van onrecht en ongeloof, verheugde zich over geloof en naastenliefde. Jezus kwam, stierf en stond op omdat God deze wereld liefheeft en niets liever wil dan dat deze wereld gered wordt.

God is Immanuel, de hemel raakt de aarde aan, de ark staat midden in de hoofdstad, God is erbij. Maar de grote vraag is nu: Zijn wij er ook bij? Ben ik erbij? Het is bij ons vaak van tweeën één. Of we vluchten uit de hoofdstad, weg bij onze cultuur vandaan en zoeken het heilige op. We trekken ons terug uit de wereld, beklagen ons over die wereld en verheffen ons erboven. Of we staan midden in die wereld, zakken met onze voeten in de modder, maar dan wel zo dat er ook niets heiligs meer te vinden is in ons leven. We zijn zo druk met onze inzet voor de wereld, met ons werk, we hebben het dan soms ook zo gezellig in deze wereld, dat God als vanzelf naar de rand van ons leven verdwijnt. Dat er geen plaats meer is voor God in het hart van ons leven.

We krijgen het nauwelijks bij elkaar. De heilige God en deze gebroken wereld. En toch. Als God met de ark midden in de samenleving is gaan wonen, als Hij via Jezus Zelf midden in deze wereld is gaan leven, dan is dat ook onze plaats. Onze opdracht. Toen Dietrich Bonhoeffer, de Duitse theoloog die opstond tegen Hitler, het christelijke leven wilde schetsen, vatte hij het zo samen. Bonhoeffer zei: Het leven van een gelovige is „met God, midden in de wereld.”

Politiek is geploeter in de modder. Het is een taaie bezigheid, het is werken aan vooruitgang met het geduld van duizend kleine stapjes voorwaarts. Maar er gaat iets helemaal mis als we geloven dat het Evangelie te heilig is voor werk in de modder. We ontkrachten de Schrift als we geloven dat God te verheven is voor straatkinderen, bootvluchtelingen en prostituees. Want de God van de Bijbel laat Zich namelijk anders kennen. Hier in 2 Samuël en op zo veel andere plaatsen in de Bijbel. Zo blijkt uit de Schrift dat de Eeuwige Zich kwaad maakt om zoiets kleins als een vervalste weegschaal. De grote God laat Zich in Zijn wet uit over de uithoeken van een korenveld en de zorg voor armlastige mensen. Hij beveelt Zijn kinderen om een hek om het dak van hun huis te timmeren, zodat niemand eraf kan vallen. Hij wil dat we goed voor vluchtelingen zorgen, omzien naar kwetsbare mensen. In Deuteronomium 22 geeft de Almachtige bouwvoorschriften, een flora- en faunawet en zedelijkheidswetgeving. De God van hemel en aarde wil helpen bij ons geploeter in de modder. En in Jezus Christus heeft Hij laten zien dat Hij erbij is. Heel dichtbij en heel concreet. In Jezus Christus raken hemel en aarde elkaar. Zijn kruis is net als de ark van God het teken dat God deze wereld zo liefheeft.

Onze navolging, ook onze politieke inzet voor deze wereld, voor ons land, voor deze stad, zijn een poging om evangeliewoorden opnieuw te laten landen in de modder. Ze is een voortdurende oefening om, net als God Zelf, midden in de wereld een zegen te zijn.

De auteur is Kamerlid voor de ChristenUnie.

Laat je inschakelen in dienst van het Koninkrijk

In de Waalse kerk in Den Haag wordt iedere derde dinsdag van de maand een residentiepauzedienst gehouden. Een predikant spreekt een meditatie uit, waarna een politicus een toespraak houdt. Deze toespraak is van Arie Slob.

Wat een prachtig thema weer voor de residentiepauzediensten van dit kalenderjaar. Nadenken over David, de man naar Gods hart. De tweede koning van Israël. Koning, bij de gratie Gods. Een fascinerende man met een bewogen leven, waar in de Bijbel veel over terug te vinden is. We vinden in het Bijbelboek Psalmen vruchten terug van zijn literaire begaafdheid. We lezen echter ook over zijn zonden. Zo kleefde het bloed van Uria aan zijn handen. En ondanks alles, een man naar Gods hart.

Zijn geschiedenis is boeiend, je kunt er direct beelden bij hebben. Ik heb dat bijvoorbeeld bij het gedeelte waar Samuël de zonen van Isaï observeert. Ik zie hem dan staan terwijl hij zijn keurende blik over de jongemannen laat gaan. Hij had zijn oordeel snel klaar, maar Gods oordeel was anders. De jongste zoon, de in eerste instantie afwezige, „het kleintje” schijnt er letterlijk in 1 Samuël te staan, die moest het zijn: David. En Samuël zalfde hem en, zo lezen we, de Geest van God vervulde de jonge koning David vanaf die dag.

Niet dat hij daarna direct als koning in volle functie actief was. De twintig jaar daarna was hij, zo als ik ergens in een preek treffend las, koning incognito, undercover. Aan het hof van Saul, in het hol van de leeuw. Op de vlucht, verraden, achtervolgd.

Hart

Wat kunnen we in deze tijd met een dergelijke geschiedenis? Ik ben altijd wat terughoudend in het direct doorvertalen van dit soort geschiedenissen naar onze tijd. Dit is allereerst heilsgeschiedenis. In een bekend lied wordt over Jezus gezongen als „Davids Zoon, lang verwacht. Die miljoenen eens zaligen zal.” Davids verkiezing en zalving tot koning past dus allereerst in Gods plan met deze wereld en Zijn toewerken naar de komst van de Messias. Iets om stil van te worden.

We krijgen bij David inzage hoe God werkt en welke mensen Hij daarvoor uitzoekt. God kijkt niet naar wat groot en sterk is. Hij kijkt naar het hart. Hij zoekt en schakelt mensen in die met hun hart bij Hem zijn.

Dat was toen zo, maar dat is nu nog steeds zo. Zo mogen ook wij ons hart naar Hem laten uitgaan en ons laten inschakelen in het werk voor Zijn Koninkrijk. Dat kan op iedere plaats waar we gesteld worden. Als ambtenaar op een ministerie, als leraar voor de klas, als mantelzorger, als gepensioneerde en ook, als ik naar mijn eigen situatie kijk, als lid van het parlement. Het gaat er dan niet om dat wij onszelf groot maken. De wereld waarin we leven ziet dat misschien wel graag. Zeker ook in mijn werksituatie. Maar het gaat er uiteindelijk om dat we met ons hart God zoeken en Zijn Naam groot maken in ons leven. Dat is wat uiteindelijk telt en niets anders.

We mogen nog iets leren: met Gods ogen naar de mensen om ons heen te kijken. Niet alleen dus naar wat aanzienlijk is, maar vooral misschien naar de onaanzienlijke. God leert ons met andere ogen te kijken. Laten wij niet, zoals ik in mijn werk nog weleens kan meemaken, de receptieganger zijn die in gesprek met een andere receptieganger al pratende met de ogen over hem of haar heenkijkt om te zien of er misschien niet nog een interessanter iemand te vinden is om mee te praten. Iets wat in de hal van de kerk na afloop van de dienst ook zomaar kan gebeuren.

Kanslozen

Kijken met Gods ogen leert ons om het hart van de ander te zoeken, maar ook ons hart naar de ander te laten uitgaan. In mijn situatie als politicus betekent het ook: niet alleen opkomen voor hen die het goed hebben, maar vooral ook voor hen die verdrukt worden, voor de kanslozen, de rechtelozen van deze aarde, voor hen die zelf geen stem hebben.

In de tijd en de cultuur waarin we leven zijn dit geen vanzelfsprekendheden. Mensen kijken het liefst naar hun eigen situatie en streven dan naar meer en meer en meer. Meer inkomen, meer welvaart, meer aanzien, meer status en noemt u maar op. Ook dat gaat niet aan ons voorbij.

De geschiedenis van David leert ons dat God naar ons hart kijkt. Dat Hij ons als persoon en in de verbanden waarin we georganiseerd zijn, dus ook als christelijke politieke partij, wil inschakelen, óók als we misschien naar de mens gesproken klein en onaanzienlijk zijn. God zoekt geen mensen die groot, sterk en aanzienlijk zijn, maar Hij zoekt mensen wier hart naar Hem uitgaat, die trouw willen zijn, recht willen doen en nederig met Hem willen wandelen. Laat dat leidend in ons leven zijn op de plek waar God ons heeft geplaatst. Zodat Hij de eer krijgt die Hem toekomt.

De auteur is voorzitter van de Tweede Kamerfractie van de ChristenUnie.

Nehemia als voorbeeld voor ons allen

In de Waalse kerk in Den Haag wordt iedere derde dinsdag van de maand een residentiepauzedienst gehouden. Een predikant spreekt een meditatie uit, waarna een politicus een toespraak houdt. Deze toespraak is van Carola Schouten (ChristenUnie).

Enige jaren geleden bezocht ik Montenegro. Samen met een collega was ik uitgenodigd door een Montenegrijnse broeder om een lezing te houden over christen-zijn in de politiek. Hoewel de bevolking van Montenegro voor 75 procent bestaat uit christenen, was het voor hen verre van vanzelfsprekend dat politici openlijk uitkwamen voor hun geloof. En een partij die in haar naam direct verwijst naar het christendom, werkte al helemaal bevreemdend. Men wilde er meer van weten.

De Montenegrijnen waren van heinde en ver gekomen om naar ons verhaal te luisteren. Verrast door de opkomst begonnen we vol enthousiasme ons verhaal. Via Groen van Prinsterer en Abraham Kuyper schetsten we de lijnen van het christelijk-sociaal gedachtegoed. Om dit vervolgens te vertalen naar de hedendaagse vraagstukken. De toehoorders leken geboeid te luisteren.

Aan het einde stond er een man van middelbare leeftijd op. Hij dankte ons vriendelijk voor onze presentatie, maar hij had eigenlijk maar één vraag. „Hoe kan een christen actief zijn in de politiek?” Mijn collega en ik keken elkaar wat weifelend aan. We hadden in het geheel niet stilgestaan bij deze vraag. Het leek ons zó vanzelfsprekend dat juist ook christenen zich inzetten voor het bestuur van een land. We vroegen de man naar de herkomst van zijn vraag. Hij schetste zijn persoonlijke situatie. Hij was christen en had de vrijmoedigheid om hier openlijk voor uit te komen. Getekend door de oorlog zocht hij een manier om zijn volk te dienen. Nog dagelijks ondervond hij –en de rest van de bevolking– de gevolgen van slecht bestuur. Er was een wankele vrede, maar de corruptie tierde welig. Toen zijn vrouw moest bevallen en met spoed naar het ziekenhuis moest, had hij de keuze: veel geld betalen aan de arts voor directe hulp of een paar uur later geholpen worden. Hij bekende voor het eerste gekozen te hebben.

Vanuit zijn geloof had de man de wil gekregen om recht en gerechtigheid na te streven. De plek waar hij dit dacht te kunnen doen, was de politiek. Echter, vanaf het moment dat hij deze wens had uitgesproken, was hij op een muur van tegenstand gestuit. Zijn werkgever had hem ontboden en hem duidelijk gemaakt dat een promotie er voorlopig niet in zat. Zijn buren begonnen wat meer afstand van hem te nemen en in alles werd hij tegengewerkt om de stap naar de politiek te maken.

Wat hij echter het moeilijkst vond, was de constatering dat de politiek niet gericht was op het welzijn van het volk. De belastingen waren op papier niet hoog, maar in de praktijk moesten burgers zo veel steekpenningen betalen dat ze er bijna aan onderdoor gingen. Dit wilde hij veranderen, maar hij werd tegengewerkt. Gedesillusioneerd had hij het opgegeven. Christen-zijn en politiek gaan niet samen, was zijn treurige conclusie.

Het werd stil in de zaal. Wij hadden ook niet veel meer te zeggen. Onze presentatie was in orde, maar we hadden totaal niet stilgestaan bij de dagelijkse realiteit van onze broeders en zusters niet ver hiervandaan. Zij leden onder de politiek.

Aan dit verhaal moest ik terugdenken toen ik in het Bijbelboek Nehemia las. Nehemia zag ook hoe het volk leed onder de beslissingen van de bestuurders. Er werden woekerrentes gevraagd voor het voedsel dat werd uitgeleend. De belasting die werd opgelegd was zo hoog dat het volk zijn dochters als slaven verkocht. Rijke volksgenoten gingen zich te buiten ten koste van hun medebroeders en -zusters! Het is begrijpelijk dat Nehemia in woede ontstak en de bestuurders ter verantwoording riep.

Maar Nehemia deed meer dan dat. Hij gaf zelf het goede voorbeeld. Zijn handelen was niet gericht op eigen gewin. Hij was vrijgevig. En dat alles tot Gods eer! Een dienaar in optima forma. En een dienaar met een boodschap die nog steeds relevant is.

Politici wordt nogal eens verweten dat ze uit zijn op eigen gewin. De economische crisis vraagt grote offers. Beslissingen vanuit de politiek raken mensen soms diep. De werkloosheid neemt toe, het inkomen neemt af en mensen zijn onzeker over hun toekomst. Dan kan het beeld ontstaan dat politici vooral vanuit hun eigenbelang besluiten nemen, zonder oog te hebben voor de gevolgen ervan.

In de Bijbel wordt ons op meerdere plaatsen gewezen op de norm voor het handelen van koningen en machthebbers. In Jesaja 32 lezen we: „Zie, een koning zal regeren in gerechtigheid en vorsten zullen heersen naar het recht.” Een overheid wordt dus gevraagd de gerechtigheid na te streven om de bevolking tot recht te laten komen. Dit lijkt een vanzelfsprekend uitgangspunt. Maar hoe vaak zien we niet dat het in de praktijk van alle dag anders werkt. Macht corrumpeert. Corruptie en zelfverrijking komen niet alleen in landen ver weg voor. We horen regelmatig voorbeelden van bestuurders in eigen land die niet bestand waren tegen de verleidingen van macht en geld.

Het nastreven van recht en gerechtigheid, ten dienste van het volk, vereist ook een eerlijke zelfreflectie bij politici. Wat zijn onze diepste motieven voor onze besluiten en daden? Staat het welzijn van het volk voorop? Een vraag die eenieder in oprechtheid voor zichzelf en voor God moet stellen en in het publieke debat moet kunnen verantwoorden. De Bijbel geeft ons geen blauwdruk voor keuzes die we moeten maken ten aanzien van bijvoorbeeld de bezuinigingen. God leert ons echter wel met Hem de keuzes te maken vanuit een dienstbare houding. Dan gaat het dus niet over eigen gewin. Maar om het gewin van het volk.

Nehemia zelf lijkt ook verantwoording af te leggen voor zijn keuzes. Hij geeft aan dat hij meegebouwd heeft. Dat hij anderen in staat stelde hun taak te doen, door hen te voeden. En dat alles zonder de bevolking hiermee te belasten. Daarmee gaat Nehemia verder dan ‘slechts’ dienstbaar zijn in de houding tegenover het volk. Hij is ook praktisch dienstbaar! Het is totaal het tegenovergestelde van wat de rijke volksgenoten deden. Zij buitten het volk uit voor hun eigen genot. Maar Nehemia ontziet het volk, in alle opzichten.

Dit voorbeeld is krachtig, ook in het heden. Het stelt een ieder voor de vraag: Wat is ons offer in deze tijd? Hoe kunnen wij bijdragen –elk op onze eigen plek– aan het welzijn van de ander? Deze vraag moeten leiders zich allereerst stellen. Naar hen wordt gekeken en zij moeten –net als Nehemia– laten zien wat onbaatzuchtig handelen inhoudt.

Tegelijkertijd is het een bredere opdracht voor ons allemaal. Zeker voor christenen. Wij hebben zo veel ontvangen uit genade. Niet om voor onszelf te houden, maar om het te delen met de ander. In tijden van bezuiniging is het verleidelijk om te kijken naar alles wat we niet meer hebben. Maar God vraagt ons juist te kijken naar wat we nog wél hebben. En Hem daarvoor te danken.

Nehemia richt zich ten slotte tot God. Hij klopt zich niet op de borst om alles wat hij heeft gedaan voor het volk, maar zoekt oprecht naar de genade van God. Dat zijn handelen tot Zijn eer mag zijn geweest. Dat is de kernvraag die we ons elke dag moeten stellen: „Heer was het tot Uw eer?” Niet vanuit het idee dat de politiek de wereld zal redden. Alleen Christus kan dat. Maar alles wat wij doen, mag verwijzen naar Hem. Naar Zijn liefde en Zijn bewogenheid. Ook in de politiek. Juist in de politiek.

Terugdenkend aan de bijeenkomst in Montenegro snapte ik de vraag of christen-zijn en politiek wel samengaan heel goed. Evenals de teleurstelling en de moeite die de bevolking daar ondervindt van de politiek. Maar het verhaal van Nehemia laat ook zien dat God bijzondere wegen gaat. Dat Hij –uit liefde voor Zijn volk– leiders kan sturen die Zijn eer wel zoeken en daarbij een dienstbare houding aannemen. Die hoop en dat vertrouwen geven moed aan volken die zuchten onder slechte regimes. Of aan volken die het vertrouwen in hun politieke leiders zijn verloren.

Ons gebed mag dan zijn dat wij een instrument zijn in Gods hand. Ieder op zijn of haar plek. Zoekend naar recht en gerechtigheid. Het gebed zoals het in Psalm 86:6 luidt:

Leer mij naar Uw wil te hand’len,
‘k Zal dan in Uw waarheid wand’len;
Neig mijn hart, en voeg het saam,
Tot de vrees van Uwen Naam.

De auteur is Kamerlid voor de ChristenUnie

Jullie zijn Mijn handen

In de Waalse kerk in Den Haag wordt iedere derde dinsdag van de maand een residentiepauzedienst gehouden. Een predikant spreekt een meditatie uit, waarna een politicus van een van de christelijke partijen een toespraak houdt. Deze toespraak is van Gert-Jan Segers (CU).

Deze zomer liep ik op een warme dag door het Italiaanse Genua. En daar, aan een rustig pleintje, stond een kleine kerk. De zegen van veel katholieke kerken is dat ze iedere dag open zijn. Zo kon ik naar binnen. Na een stadswandeling verlangden mijn benen naar een beetje rust en mijn oren naar stilte, terwijl ondertussen mijn ogen zich te goed konden doen aan de mooie Bijbelse taferelen op het plafond.

Toen ik daar in een van de kerkbanken zat, zag ik opeens een Christusbeeld naast me staan. En juist dat wat er aan ontbrak, is me bijgebleven. Het was namelijk een beeld zonder handen, met daaronder de woorden: „Jullie zijn Mijn handen.”

Na die korte vakantie ging ik weer door waarmee ik voor die vakantie al volop bezig was: campagne voeren. Ik merkte daarbij hoe intens sommige debatten kunnen zijn en hoe cynisch politici bij tijd en wijle bejegend kunnen worden. Maar ik merkte tegelijkertijd ook dat er prachtige gelegenheden zijn om te laten zien hoe je met God midden in de samenleving kunt staan. Ik heb me vol overgave in de campagne gestort en het heeft voor mij persoonlijk geleid tot een entree in de Tweede Kamer. Met alle hectiek van dien. Maar op een stil moment ga ik in gedachten nog wel eens terug naar dat kerkje in Genua. Ik vraag me dan af of ik inderdaad als de handen van Christus ben. Of ik Zijn liefde daadwerkelijk handen en voeten geef. En in de hitte van de dagelijkse drukte kan ik soms zomaar verlangen naar de koelte en de stilte van een besloten kerk.

En ja, soms moet je je inderdaad weer even terugtrekken in de stilte van de kerk. Zoals we dat ook vandaag op dit moment doen. Want alleen als je de momenten kent van het stil worden tot God, heb je als christen ook het recht om te spreken. Alleen als je steeds weer teruggaat naar Christus Zelf en aan Zijn voeten zit, heb je het recht om je een christenpoliticus te noemen. Dus ja, zo’n residentiepauzedienst is heilzaam. De zondagse diensten en de persoonlijke momenten van stilte zijn cruciaal. Maar daarna moeten we weer naar buiten, de wereld in.

Er is veel wat me aanmoedigt om ook daadwerkelijk de wereld in te gaan, om me als nieuw gekozen christenpoliticus te laten kennen. Er zijn de talloze inspirerende voorbeelden van christenen die onze samenleving op een bijzondere manier dienen. Ik denk aan het werk van Scharlaken Koord in Amsterdam, dat al zo veel prostituees een nieuwe toekomst heeft gegeven. Aan het werk van De Haven, die hier in Den Haag hetzelfde doet. Ik denk aan het werk van de mensen van De Hoop in Dordrecht. Ik denk aan hospices waarin christenen hun medemensen tot het allerlaatste moment liefde en zorg geven. Er zijn zo veel mensen die midden in onze samenleving Christus navolgen en als Zijn handen zijn. Zij moedigen me aan om in de politiek datzelfde te doen. Om, zoals Micha (6:8) dat zegt: recht te doen, trouw te betrachten en nederig te wandelen met God.

Ook de prachtige mogelijkheid om hier in alle vrijheid geloof en politiek te combineren, moedigt me aan. In alle bescheidenheid sluit ik me aan bij een rijke traditie van christelijk sociale politiek en zal ik er alles aan doen om die traditie vitaal te houden.

Dan zijn er ook de kwesties die schreeuwen om een gelovig antwoord. De crisis waarin we ons bevinden, de moderne slavernij die met een prostitutiewet een legaal vernisje kreeg, een samenleving waarin zo veel mensen met de rug naar elkaar toestaan, de vervuiling van de schepping, de morele richtingloosheid van onze cultuur. Oog in oog staand met de samenleving waarin God ons geplaatst heeft, horen we de woorden weer: Jullie zijn Mijn handen.

En toch. Kan ik dat wel waarmaken? Want bij al onze goede bedoelingen breekt het ons vroeg of laat weer bij de handen af. Als ik ontzettend mijn best doe om de handen van Christus te zijn, dan is dat het moment om te luisteren naar Christus Zelf, Die zegt: Zonder Mij kun je niets doen. Dat is het moment om ons te realiseren dat alles wat we doen, alles wat ik als nieuw politicus in de Tweede Kamer zou kunnen doen, beperkt is en tekortschiet. Ik wil heel graag de handen van Christus zijn, maar ik kan de wereld niet dragen. Ik kan de wereld niet verlossen.

Het is het moment om als die kleine jongen met zijn vijf broden en twee vissen alles in de handen van Christus te leggen. Alles wat we hebben en alles wat we doen, als we het in de handen van Jezus leggen, kunnen er grote dingen gebeuren.

Jullie zijn Mijn handen. Laten we inderdaad doen wat we kunnen, laten we elkaar binnen en buiten de kerk blijven aanmoedigen om met God midden in de wereld te staan. Om recht te doen, kwaad te bestrijden, vrede te stichten, lief te hebben. En laten we dat zo in de handen van Jezus leggen, want dat gaat er echt wat gebeuren.

De auteur is Kamerlid voor de ChristenUnie.

Het voorbehoud van Jakobus

In de Waalse Kerk in Den Haag wordt iedere derde dinsdag van de maand een residentiepauzedienst gehouden. Een Haagse predikant spreekt een meditatie uit, waarna een politicus van een van de christelijke partijen een toespraak houdt. Deze toespraak is van Esmé Wiegman (ChristenUnie).

In deze dienst het voorbehoud van Jakobus centraal. Zo wordt het gelezen Schriftgedeelte, Jakobus 4:13-17, genoemd. Het voorbehoud van Jakobus – toen ik kind was, klonk het als een spannende formule; heel serieus en zwaarwichtig.

Zo de Heere wil en wij leven; het is vaak een standaarduitdrukking bij afkondigingen in de kerk. Het Deo volente wordt te pas en te onpas gebruikt. Het komt er echter op aan dat het voorbehoud van Jakobus geen dooddoener of loze formule is; geen holle frase. Het gaat om een levend besef: ”als God het wil” als motto boven al onze plannen.

Het raakt mij persoonlijk. Veel mensen vragen mij of ik beschikbaar ben als Kamerlid voor een nieuwe periode na de verkiezingen in september. En dan antwoord ik iets over selectiecommissie, partijcongres en uitkomst van de verkiezingen. Maar ten diepste weet ik en belijd ik: als God het wil. Als God het wil. Dat raakt ook de politieke besluitvorming en alle plannen en voornemens die worden gemaakt.

De verzen 13 en 14 vertellen indringend hoe de verhoudingen liggen. Wij zijn slechts kleine mensen. We zijn slechts damp. Daar tegenover staan Gods grootheid en almacht. De wil van God.

In vers 16 worden we gewaarschuwd. We slaan vaak een hoge toon aan en zijn daar nog trots op ook. In de politiek zie je het vaak gebeuren. Het is volkomen ongepast.

Als God het wil. Dat brengt ons bij de vraag: Wat wil God nog meer, behalve deze praktische aanwijzingen van Jakobus?

We lezen het in de Bijbel. God vraagt veel. Hij stelt hoge eisen. Het mooie is dat Gods wil nauw samenhangt met Zijn beloften. We hebben te maken met een God Die wil geven waarom Hij vraagt. Hij is een God Die graag vergeeft en geneest als we onze zonden belijden.

Hij vraagt recht en gerechtigheid. Ik denk aan Psalm 72. Hij wil het ook geven:

Geef, Heer’, den Koning Uwe rechten, en Uw gerechtigheid
(…)
Dan zal Hij al Uw volk beheren
rechtvaardig, wijs en zacht,
en Uw ellendigen regeren,
hun recht doen op hun klacht.

Het is een onzekere en onrustige tijd in de politiek. Er is sprake van een economische crisis, er wordt druk onderhandeld hoe het begrotingstekort binnen de perken kan worden gehouden; nieuwe verkiezingen komen eraan. Wat zal het ons land gaan brengen? God weet het.

In de aanloop naar de verkiezingen zullen er allerlei debatten gevoerd worden. Politici zullen een hoge toon aanslaan. In al dat verkiezingsgeweld zullen we moeten luisteren naar Gods stem en die stem gehoorzamen. Waar gaat Gods hart naar uit? Naar wie gaat Gods hart uit?

Opnieuw denk ik aan Psalm 72: Hij zal bevrijden wie arm is en om hulp roept, wie zwak is en geen helper heeft. Hij ontfermt Zich over weerlozen en armen. Of zoals Amos het zegt: God wil zeeën van recht en rivieren van liefde die heel de aarde weer vol laten stromen met recht.

Dit zal onze politieke agenda en ons spreken en de toon die we daarbij aanslaan, moeten bepalen. Bij God moeten we zijn voor wijsheid in het maken van plannen.

De auteur is lid van de Tweede Kamer voor de ChristenUnie.