Lankmoedigheid geeft ruimte

In de Waalse Kerk in Den Haag wordt iedere derde dinsdag van de maand een residentiepauzedienst gehouden. Een Haagse predikant spreekt een meditatie uit, waarna een politicus van een van de christelijke partijen een toespraak houdt. Deze toespraak is van prof. dr. Roel Kuiper (ChristenUnie).

Lankmoedigheid lijkt geen eigenschap van onze tijd. Mensen hebben korte lontjes. Als aan onze grieven of bezwaren niet tegemoetgekomen wordt, spelen we op. Als ons iets niet bevalt, laten we dat weten en moeten er direct maatregelen worden getroffen. Assertiviteit is een grotere deugd dan lankmoedigheid. Er is veel onrust in onze samenleving als gevolg van een gebrek aan lankmoedigheid. Het is een uiting van onzekerheid en de angst dat we misschien iets tekortkomen. Als het onderling vertrouwen kwijnt, gaat ook de lankmoedigheid eraan.

Ongeduld

God is lankmoedig. De Bijbel maakt heel duidelijk dat God mensen ruimte geeft, Hij bevrijdt en vergeeft. Hij kan Zijn oordeel uitstellen in de hoop dat het goed komt. Dat is Zijn lankmoedigheid. In de Nederlandse Geloofsbelijdenis wordt in artikel 1 gesproken over de eigenschappen van God. Die term is eigenlijk te afstandelijk. Alsof wij de eigenschappen van God objectief kunnen vaststellen. Lankmoedigheid wordt in dat eerste artikel niet genoemd. Wel dat God een “zeer overvloedige Bron van al het goede” is. Zo is God ook lankmoedig. En dat is geen eigenschap, maar een gezindheid van God die we mogen leren kennen.

Het is vaker gezegd: lankmoedigheid is niet precies hetzelfde als geduld. Beide woorden kunnen zelfs het tegenovergestelde betekenen. Als we lang op iets moeten wachten, kunnen we geïrriteerd raken. Dit ongeduld verraadt dat we hebben zitten wachten op ons eigen voordeel. Geduld opbrengen is moeilijk als we menen ergens recht op te hebben. Dan worden we kortaf en onhebbelijk. God is in Zijn lankmoedigheid niet kortaf, Hij blijft ook niet staan op Zijn voordeel, maar gunt aan anderen. Daarom wordt Zijn lankmoedigheid in de Bijbel steeds verbonden met goedertierenheid.

De wereld is vol van gebrek aan lankmoedigheid. We kunnen de ander moeilijk verdragen, wat ons niet bevalt moet uit onze ogen verdwijnen. God is niet zo. De wereld bestaat door Zijn lankmoedigheid. Hij rekent ons niet af, maar is bedacht op ons voordeel. Hij wil ruimte scheppen voor Zijn Koninkrijk, door alles heen. Zijn lankmoedigheid laat niet het kwaad bestaan -Zijn oordeel is er ook-, nee, Hij wil een overvloedige bron van al het goede zijn.

Dankbaar

Wat betekent dit voor ons? Wij mogen dankbaar zijn voor een land met een functionerende overheid en waar een rechtsorde bestaat die ons beschermt. Dictaturen zijn meestal niet lankmoedig. Laten we dankbaar zijn voor de rechtsstaat waarin we leven. Ook dat is Gods lankmoedigheid. Ook mogen we heel zuinig zijn op de ruimte die we hebben als christenen om in onze samenleving te werken. Er zijn landen waar die mogelijkheid niet bestaat. Verder behoren wij geen mensen te zijn die anderen naar de keel grijpen wanneer zij ons iets schuldig zijn.

Een samenleving gaat te gronde als de lankmoedigheid niet meer bestaat. Lankmoedigheid geeft ruimte om te leven en te werken tot Gods eer. Van die ruimte mag de christelijke politiek gebruikmaken door in woord en daad te wijzen op God als Bron van al het goede voor mens en samenleving.

De auteur is lid van de Eerste Kamer voor de ChristenUnie.

Wie is als de Heilige?

In de Waalse Kerk in Den Haag wordt iedere derde dinsdag van de maand een residentiepauzedienst gehouden. Een Haagse predikant spreekt een meditatie uit, waarna een politicus van een van de christelijke partijen een toespraak houdt. Deze toespraak is van Arie Slob (ChristenUnie).

De bekende 19e-eeuwse Engelse prediker C. H. Spurgeon zei ooit dat bestudering van de vraag wie (of wat) een christen is, bestudering vraagt van de vraag Wie God is. Volgens Spurgeon was de hoogste wetenschap, de diepste overpeinzing waaraan een kind van God zich kan wijden die van de naam, de natuur, de persoon, het werk, de daden en het bestaan van de machtige God, die hij zijn Vader mag noemen.

Wie nadenkt over God, zo wist Spurgeon, zal ruimer van geest zijn dan de mens die met zijn gedachten slechts over deze nietige aardbol voortsukkelt. Juist de ootmoedige, ernstige en voortdurende studie van Christus en Die gekruisigd, de studie van God in Zijn glorierijke drie-eenheid, brengt verruiming van geest, ziel en verstand,, aldus Spurgeon in 1855. Indrukwekkende woorden, die nog meer indruk maken als je bedenkt dat hij toen nog maar 21 jaar oud was.

Jesaja

De eigenschap van God dat Hij heilig is, geeft aan dat Hij bijzonder is, zo bijzonder dat Hij Zich volstrekt onderscheidt van de wereld buiten Hem. Wie kan zijn zoals Hij? Het roepingsvisioen uit Jesaja 6 dat vanmiddag mede centraal staat, is in dat opzicht tekenend. Zelfs de engelen bedekten hun aangezicht voor deze heilige God. Jesaja hoorde hen zingen: “Heilig, heilig, heilig is de Heere der heirscharen! De ganse aarde is van zijn heerlijkheid vol!” (vers 3) . En dan belijdt de profeet Jesaja zijn schuld en zijn onbekwaamheid om woordvoerder van zo’n God te zijn (vers 5). Hij was niet van die categorie en besefte dat hij dat ook nooit worden zou.

En wij dan? Wij leven in een onzekere tijd. Als politicus heb ik de jaarwisseling gebruikt om terug te kijken op het jaar 2010. Het was op zijn zachtst gezegd een turbulent jaar. En vooruitkijkend naar het jaar 2011 vroeg ik me ook af: Wat zal dit jaar brengen? De politieke verhoudingen in ons land zijn gepolariseerd. De christelijke politiek lijkt naar de mens gesproken veel terrein verloren te hebben. Waar gaat dit heen?

Wat moeten we daarop zeggen? Natuurlijk heeft Spurgeon gelijk als hij zegt dat we ons allereerst op God moeten richten. Maar hoe kunnen wij, nietige mensen, levend in het jaar 2011, ooit deze heilige God benaderen? Laat staan aan Hem gelijk worden. Het antwoord op deze vraag is dat dit vanuit de mens ook niet mogelijk is.

Toch hoeven we hier -God zij dank- geen punt te zetten. In Jezus Christus heeft God Zijn doorboorde handen naar ons uitgestrekt. En wij mogen ons dan op onze beurt naar Hem uitstrekken. Onze handen in Zijn handen leggen. De Heilige toelaten in ons leven. En daaruit voortvloeiend in alles wat we doen op Hem afgestemd zijn, met Hem verbonden zijn, daarbij gehoor gevend aan de oproep uit Leviticus 19:2: “Weest heilig, want Ik ben heilig.”

Nieuwe Jeruzalem

En dat geeft weer moed en perspectief. Inderdaad, wij weten niet wat dit jaar ons gaat brengen. Maar we weten wel Wie onze God is. En aan deze God, de Heilige, mogen we ons toevertrouwen. Hij gaf niet alleen Zijn eniggeboren Zoon aan ons, maar ook de Heilige Geest, Die ons wil helpen dicht bij Hem te leven. Hij laat ons niet los. Hij heeft ons niet alleen laten weten waarvoor we op aarde zijn, maar ook waarnaar we op weg zijn: de heilige stad, een nieuw Jeruzalem. Ons wacht een geweldige toekomst van heiligheid en we mogen ons leven op die toekomst afstellen. Daarbij zingend: “Heilig, heilig, heilig is de Heere God, de Almachtige, Die was en Die is en Die komen zal.”

Moge die God ons allen zegenen en tot een zegen laten zijn voor de mensen om ons heen en voor de samenleving waarvan we deel uitmaken.

De auteur is lid van de Tweede Kamer voor de ChristenUnie.

Mammon vraagt om regulering

In de Waalse Kerk in Den Haag wordt iedere derde dinsdag van de maand een residentiepauzedienst gehouden. Een Haagse predikant spreekt een meditatie uit, waarna een politicus van een van de christelijke partijen een korte toespraak houdt. Deze toespraak is van prof. dr. ir. E. Schuurman (ChristenUnie).

De minister-president is de belangrijkste man in een kabinet. Hij heeft te maken met alles wat de regering doet. Maar de minister van Financiën is daarnaast ook belangrijk. En inderdaad, sommigen zeggen vanwege dat geld wel dat de minister van Financiën de belangrijkste ministerspost bekleedt.

Terecht wordt geldbesteding bij en door de overheid goed gecontroleerd. We weten dat er snel iets mis kan gaan. Geld geeft macht. Geld is verleidelijk, omdat je er veel mee kunt doen. Omgaan met geld in het algemeen moet altijd gecontroleerd worden. Zeker als het geld van anderen betreft, dient men zich steeds te verantwoorden.

Koning Midas

Dat is allemaal terecht. Je zou kunnen zeggen dat de praktijk ons dat heeft geleerd. De mens is gemakkelijk geneigd tot kwaad, zeker ook geneigd om verkeerd om te gaan met geld van anderen. En dan vooral om er zelf beter “in de zin van rijker” van te worden.

De hebzucht van de mens kan zo sterk zijn dat we van geld een afgod maken. Dat is de mammon waarover de Bijbel spreekt. Aan de mammon vertrouwt de mens zich gemakkelijk toe, maakt zich van hem afhankelijk en jaagt naar geld. In plaats van middel voor onderling economisch verkeer, wordt geld een doel in zichzelf.

De mens gaat dan lijken op koning Midas uit de Griekse mythologie. Deze koning mocht van de goden een gunst vragen. Daar ging hij grif op in. Hij wenste dat alles wat hij aanraakte in goud zou veranderen. Als hij dan gaat eten krijgt hij er, in plaats van brood, goud bij. Komt hij in de buurt van zijn vrouw, dan verandert zij in een klomp goud. Kortom, als alles goud wordt wat je aanraakt word je wel rijk, maar uiteindelijk verlies je alles en ga je er aan ten onder. Dat kan ook met geld gebeuren. Je hebt nooit genoeg en zelf ga je er kapot aan.

Eigenlijk was de financiële crisis van twee jaar geleden daarvan ook een teken. De hebzucht of geldzucht van banken ligt ten grondslag aan de huidige economische crisis en veroorzaakte de toename van tekorten bij de overheden. Nu is dit een probleem van alle tijden. Het is ook om die reden dat de overheden toezicht op het maatschappelijk geldverkeer hebben geregeld. Maar ook dat toezicht ging mee in de verkeerde richting. Slechts enkelen waarschuwden.

Vertrouwen

Nu overheden met de vele negatieve gevolgen van deze ontwikkeling worden geconfronteerd en de burgers daarvan de lasten moeten dragen, dringt het besef door dat overheden maatschappelijk onrecht niet alleen moeten bestraffen, maar in de toekomst ook eerder moeten signaleren en dus voorkomen. Dat is terecht. Publieke gerechtigheid eist dat optreden. Nieuwe regulering van geldstromen en versterking van toezichthouders moeten ervoor zorgen dat het vertrouwen in banken weer wordt hersteld.

Dus om in de toekomst herhaling van de financiële en economische crisis te voorkomen, zijn harde maatregelen noodzakelijk. Maar belangrijker nog is herstel van onderling maatschappelijk vertrouwen. Zonder dat vertrouwen zullen de noodzakelijke nieuwe regelingen en versterking van toezicht niet definitief helpen. Pas als een deugd als eerlijkheid, een juiste verhouding tussen prestatie en beloning -passende beloning dus- en vooral de inhoud van rentmeesterschap weer aandacht krijgen, zal maatschappelijk vertrouwen herstellen en gaan we de richting uit naar een gezonde maatschappelijke ontwikkeling.

Trouw aan God de Schepper, aan de God van de Bijbel als de Betrouwbare, geeft de beste garantie tegen de momenteel alom aanwezige afgoderij met geld, het dienen van mammon. Overheid, burgers en politieke partijen moeten beseffen welke God wérkelijk moet worden gediend.

De auteur is voorzitter van de ChristenUniefractie in de Eerste Kamer.

Trouw blijven in het spoor van Jozua

In de Waalse Kerk in Den Haag wordt iedere derde dinsdag van de maand een residentiepauzedienst gehouden. Een Haagse predikant spreekt daarin een meditatie uit, waarna een politicus van een van de christelijke partijen een korte toespraak houdt. Deze toespraak is van Arie Slob (ChristenUnie).

In deze residentiepauzedienst staat de persoon van Jozua centraal. Bijzonder is het om te zien hoe Jozua als een instrument in Gods hand gebruikt wordt om het volk Israël te leiden. De vraag mag gesteld worden wat een persoon als Jozua ons nog in deze tijd te vertellen heeft.

Allereerst wil ik iets opmerken over de stijl van leidinggeven van een man als Jozua. In onze tijd worden boeken volgeschreven over leiderschap. Goed om eens kennis van te nemen als je zelf ook leiding aan mensen moet geven. Al kun je in de veelheid van opvattingen over leiderschap zomaar de weg of -misschien beter gezegd- jezelf kwijtraken. Het kan geen kwaad dan eens naar Jozua te kijken.

Het leidinggeven van Jozua kan omschreven worden als dienstbaar leiderschap. Hij is geen carrière man die als het moet over de rug van anderen de weg naar boven probeert te vinden. Hij is dienstbaar. Allereerst aan zijn God. Daarna en in het verlengde daarvan is hij dienstbaar aan het volk waarvan hij deel uitmaakt.

Wat een zegen zou het zijn voor ons land en volk als degenen die in onze tijd geroepen zijn leiding te geven, dat ook doen vanuit een dienende houding. Dat betekent: in hun handelen niet zichzelf centraal stellen, maar de zaak, en boven alles de God Die ze moeten dienen. Het is mijn dagelijkse bede dat God mij op die manier dienstbaar wil laten zijn op de plaats waar hij mij nu heeft neergezet. Laat het onze gezamenlijke bede zijn voor degenen die leiding moeten geven in ons land.

Trouw

Ik wil daar nog een persoonlijke noot aan toevoegen. In de afgelopen maanden ben ik intensief bezig geweest met de vraag of ik me weer beschikbaar wilde stellen voor de kandidatenlijst van de ChristenUnie. Ik heb met die vraag geworsteld. Vooral ook mezelf afgevraagd welke weg de Heere met mijn leven wilde gaan. Het is een zaak van gebed geweest. En van gesprekken met mensen om mij heen. Bijzonder ook om in een dergelijk proces te zien hoe God mensen op mijn weg heeft geplaatst die, zonder dat ze het zelf doorhadden, mij hielpen om tot de conclusie te komen dat ik opnieuw beschikbaar wil zijn. Met een Jozua als voorbeeld.

Dat brengt me bij een tweede leerpunt. Jozua heeft -soms op een harde manier- geleerd dat het in het leven uiteindelijk maar om één ding gaat: trouw blijven aan God. Daarvoor wordt gehoorzaamheid gevraagd. En van tijd tot tijd ook veel moed.

Dat zie je bijvoorbeeld in de geschiedenis van de inname van Jericho. Wat een geloof en gehoorzaamheid was er nodig om te doen wat God vroeg. Door dat geloof en die gehoorzaamheid zijn uiteindelijk de muren van Jericho ingestort. Een onbegrijpelijk wonder.

Als christenen mogen we het goede voorbeeld van Jozua’s trouw aan God ook in onze tijd volgen. Daarbij ook leren van de gevolgen die hij ondervond als hij dat niet deed. Ook in onze tijd worden we opgeroepen tegen alle verdrukking in trouw te blijven aan onze God. Op welke plaats de Here ons ook gesteld heeft.

Machtige wapens

Daar is soms strijd voor nodig. Strijd met onze omgeving, maar ook met onszelf en de oude mens die greep op ons probeert te houden. Maar de wapens van onze strijd zijn machtig. Wat een machtige dingen kunnen er niet worden gedaan door geestelijke methoden. Eenvoudigweg gehoorzamen, doen wat je gezegd wordt, eenvoudig geloven en bidden en gewoon aandachtig luisteren naar Gods wil.

Eenvoudig is dat niet. Maar we hebben een geweldig perspectief. We zijn op weg in het spoor van mensen die ons voorgingen, zoals een Jozua. We zijn op weg naar het grote feestmaal op de berg Sion, waarover Jesaja 25 zo indrukwekkend mooi spreekt.

Jesaja profeteert dat de dood tenietgedaan zal zijn. God de Heere wist de tranen van elk gezicht; de smaad van zijn volk neemt hij van de aarde weg. Op die dag, zegt Jesaja, zal men zeggen: “Hij is onze God. Hij was onze hoop: Hij zou ons redden. Hij is de Heer, Hij was onze hoop. Juich en wees blij: Hij heeft ons gered.”

Moge de Heere ons zegenen op de plek waar Hij u en mij geplaatst heeft. Dat we als een Jozua dienstbaar mogen zijn én onvoorwaardelijk trouw aan onze God. Totdat Hij komt.

De auteur is fractievoorzitter van de ChristenUnie in de Tweede Kamer.

Politicus moet altijd oprecht en betrouwbaar blijven

In de Waalse Kerk in Den Haag wordt iedere derde dinsdag van de maand een residentiepauzedienst gehouden. Een Haagse predikant spreekt een meditatie uit, waarna een politicus van een van de christelijke partijen een toespraak houdt. Deze toespraak is van sprak Ernst Cramer.

Het negende gebod en een politicus. Ik moest even grinniken toen ik dat thema zag voor deze middag. Als je de Tien Geboden neemt als jaarthema kom je vroeg of laat langs deze. En van alle geboden en verboden is het stigma van deze wereld op één punt redelijk eensluidend: alle politici liegen.

Voor sommige politici is het wel eens belangrijker dat de burger in iedere geval denkt dat zij de waarheid spreken omdat de ander liegt. In onze beroepsgroep is het heel gewoon om vooral de ander de schuld in de schoenen te schuiven. En dat gaat heel ver.

Laat ik eerlijk zijn, het is ook niet altijd gemakkelijk. Je schrijft dingen op in je verkiezingsprogramma die later moeilijk te realiseren blijken. Omdat bijvoorbeeld jouw idee niet zo’n goed idee was. Of gewoon omdat er andere afspraken gemaakt zijn in een regeerakkoord. Is dat dan liegen omdat je iets anders gaat doen dan waar je in de verkiezingen misschien wel mensen mee hebt getrokken? Ik denk het niet. Iedereen zal snappen dat bepaalde ideeën op een gegeven moment misschien wel niet haalbaar zijn.

Ik heb een mooi voorbeeld van zo’n verandering. In het afgelopen jaar is gesproken over het stopzetten van de nertsenhouderij in Nederland. Als ChristenUnie hadden we dit niet expliciet in ons programma staan, maar André Rouvoet heeft ooit in een debat tijdens de verkiezingen gezegd dat dit een foutje was in ons programma. Uiteraard moet ik daarmee verder. Tijdens de debatten wijzen mijn collega’s daar dan ook fijntjes op. En toen ik in de eerste discussie over het initiatiefwetsvoorstel sprak en aangaf dat ik grote twijfels had bij de manier waarop de ondernemers zeg maar van hun bedrijf af gezet werden, werd ik geconfronteerd met de uitspraak dat ik een verkiezingsbelofte brak. Ik zou de mensen voorgelogen hebben door nu tegen het wetsvoorstel te zijn, terwijl we tijdens de verkiezingen aangegeven hebben dat we tegen de nertsenhouderij zijn. Maar mijn bezwaar richtte zich niet op het doel: namelijk stopzetten van de nertsenhouderij, maar op de weg daar naartoe.

Je moet je dus niet laten meeslepen in die wereld van elkaar veroordelen. Sterker: onze catechismus somt haarfijn op wat allemaal onder dit gebod verstaan wordt. En dat is nogal wat. Ooit zei een dominee bij ons in een preek dat hij over ieder zinnetje in dit vraag en antwoord wel een aparte preek kon houden. Laat ik zelf maar een paar invullingen geven van vraag en antwoord 121 van de Heidelberger Catechismus. Er staat dat ik tegen niemand een vals getuigenis afleg, niemands woorden verdraai en geen kwaadspreker of lasteraar ben.

Ik ben afgetreden als wethouder om dat er een rekenfout gemaakt was in de najaarsnota. De verleiding was groot om dat niet naar buiten te brengen, dat werd me zelfs aangeraden. Ook de mogelijkheid om dan maar een ander te ontslaan kwam voorbij. Maar waarom dan, vroeg ik mij af. Ik heb toen de besloten dicht bij mijzelf en mijn geloof te blijven. Ik ga het niet mooier maken dan het is.

Zalm

In het antwoord staat verder: dat ik ook niemand lichtvaardig en onverhoord veroordeel of help veroordelen. De laatste weken is de heer Zalm in opspraak vanwege zijn werk bij de DSB. Op vragen van de pers daarover, die soms zeer suggestief waren, heb ik geprobeerd steevast te verwijzen naar het onderzoek dat loopt. En ik weet het werkelijk niet. Wij laten ons te gemakkelijk verleiden in als-danvragen.

Verder staat er in het antwoord dat ik alle liegen en bedriegen als echt duivels werk vermijd, als ik tenminste de zware toorn van God niet op mij laden wil. Ik ben pas bekeurd voor te hard rijden. De agent vroeg mij of ik daarvoor een reden had. Die had ik niet en ik antwoordde naar waarheid dat ik gewoon zin had om naar huis te gaan.

Ik kom terug bij die burger en zijn gevoel over politici. En dan snap ik wel, als ik kijk naar wat er allemaal gezegd wordt over anderen, dat mensen daar hun oordeel over klaar hebben. En daarom is het zo belangrijk dat je in de politiek oprecht probeert te wezen en betrouwbaar. We hebben daarvoor iedere dag opnieuw Gods kracht en oneindige genade voor nodig.

De auteur is lid van de Tweede Kamer voor de ChristenUnie.

Ladder kan zomaar tegen de verkeerde muur staan

In de Waalse Kerk in Den Haag wordt iedere derde dinsdag van de maand (in september op maandag) een residentiepauzedienst gehouden. Een Haagse predikant spreekt een meditatie uit, waarna een politicus van een van de christelijke partijen een toespraak houdt. Deze toespraak is van Ed Anker (ChristenUnie).

Prinsjesdag is een feestelijke dag. Tegelijkertijd is iedereen ervan doordrongen dat het spannend is om de overheidsfinanciën rond te krijgen. De problemen zijn groot en de manoeuvreerruimte is klein.

Juist in deze tijd is er veel aandacht voor de koopkrachtplaatjes. De crisis is pas echt voelbaar als we gemiddeld allemaal minder geld te besteden hebben. Minder bestedingen gaat ook weer ten koste van de bedrijvigheid en dat kan betekenen dat de economie weer meer krimpt.

Het is vaak onder druk dat duidelijk wordt wat je echt gelooft. Dan val je terug op je basisovertuigingen. Het is niet moeilijk om anderen gastvrij aan tafel uit te nodigen als het goede vrienden van je zijn. Je leent met een miljoen op de bank ongetwijfeld makkelijker iemand geld dan wanneer je het met een minimumloon moet doen.

In Lukas 6:35 lezen we hoe Jezus ons oproept om er voor de ander te zijn. We moeten onze vijanden zelfs liefhebben. Wat opvalt is dat de boodschap van Jezus niet strookt met de gangbare orde. Eerder in Lu-kas wordt Hij bevraagd op Zijn besteding van de sabbat. De repliek van Jezus drijft de Farizeeën tot waanzin. Welk hiaat in de kennis van de Farizeeën heeft Hij gevonden? Hij vraagt gewoon of je op de sabbat goed of kwaad moet doen, iemand moet genezen of laten sterven.

Ander spoor

Het is natuurlijk precies de kern, maar de Farizeeën zijn er niet blij mee en trekken zich de haren uit het hoofd. Wij slikken vaak voor zoete koek dat de geestelijke elite van Israël totaal gecorrumpeerd was, een soort bankdirecteuren. Maar als we er nu eens van uitgaan dat deze mannen van Israël net zo hard hun best doen als wij dat doen om een goed leven te leiden, waarom dan die frustratie?

Ik vermoed dat die Farizeeën op een heel ander spoor zaten dan Jezus. Zij waren de autoriteit van Israël in bezet gebied. Zij zullen ongetwijfeld gemotiveerd zijn geweest om het geloof zuiver te houden en te beschermen tegen de wereldse invloeden van de Romeinen. En dan komt Jezus ze juist op die heilige taak uitdagen. Zij waren een heel andere strijd aan het strijden en met verve. Ik heb wel een beetje begrip voor die Farizeeën. Een wijze man schreef ooit dat je zo druk bezig kunt zijn met het beklimmen van een ladder, dat je niet door hebt dat de ladder tegen een verkeerde muur staat.

De boodschap van Jezus was radicaal in die tijd en ik vermoed dat ze dat ook nu nog is. Het zou wel eens goed kunnen dat we in deze tijd weer gaan leren wat het betekent om met onze arbeid de Heer te dienen. Juist nu het veel minder vanzelfsprekend is dat we een baan hebben, dat we ons huis kunnen betalen en een comfortabel leven kunnen leven. Het kan zijn dat wij weer moeten leren wat de werkelijke waarde van geld en goed is. Dat wij ons moeten afvragen op welk spoor we zitten, tegen welke muur onze ladder staat.

Moreel appel

Alom klinkt nu de roep dat alles anders moet. Ons economisch systeem moet opnieuw doordacht, we kunnen niet op de oude voet verder. Dat heeft ook gevolgen op onze prioritering in de debatten die we hebben. Rekenen wij het kabinet nu alleen af op koopkrachtplaatjes?

Ik vind het te makkelijk om te zeggen dat we de economische redenatie van koopkrachtplaatjes maar moeten wegwuiven als on-Bijbels zonder dat daar iets op volgt. Daarvoor komt de crisis te dichtbij en ook voor christenen. Als het zo moeilijk is om vanuit de oude programma’s en de oude reflexen op een andere manier over onze economie te gaan denken, dan heeft dat ook invloed op ons. We kunnen als christenen niet stoppen bij een moreel appel. We moeten ook bij onszelf onderzoeken of wij niet op een verkeerd spoor zitten.

In de tijd van de profeet Haggaï moest er ook iets veranderen. De mensen hadden voor zichzelf prachtige huizen gebouwd terwijl de tempel in puin lag. Haggaï moest het volk oproepen om God weer de eer te gaan geven. God zegt dan niet: “Maak eerst de boel maar weer eens in orde, voordat je iets kunt verwachten.” Nee, Hij zegt: “Ik ben bij jullie – spreekt de Heer” (Haggaï 1:13, NBV).

Dat is door alles heen de grootste zegen, dat we weten mogen dat God ons niet in de steek laat, zeker nu niet.

De auteur is lid van de Tweede Kamer voor de ChristenUnie.

Zondag als rustdag geen hobby van christenpolitici

In de Waalse Kerk in Den Haag wordt iedere derde dinsdag van de maand een residentiepauzedienst gehouden. Een Haagse predikant spreekt een meditatie uit, waarna een politicus van een van de christelijke partijen een toespraak houdt. Deze toespraak is van drs. Arie Slob.

Dinsdag is voor mij altijd een drukke dag. Vaak zijn we tot diep in de avond met ons werk bezig. En in de afgelopen weken ben ik in verband met de aanpak van de kredietcrisis ook geregeld tot in de nacht aan het werk geweest.

In de rest van de samenleving is het niet veel anders. Als we niet oppassen, draaien we met onze economie maar door. Zeven dag in de week, 24 uur per dag. Wat een weldaad is het dan om midden in die drukte de serene rust van een kerkgebouw te mogen ervaren.

Juist vandaag mogen we met elkaar in het bijzonder stilstaan bij de rust die God vanaf het begin van de schepping aan Zijn kinderen heeft gegeven. Toen God op de zevende dag het werk voltooid had, dat Hij had gemaakt, rustte Hij op de zevende dag van al het werk, dat Hij gemaakt had. God zet deze dag apart. Hij heiligt deze dag.

In Exodus 20:11 wordt bij het vierde gebod, waarin Israël wordt opgeroepen deze dag te gedenken en te vieren als rustdag, teruggegrepen op het feit dat God op de zevende dag ophield met zijn arbeid, zijn scheppingswerk. Uit het vierde gebod kan, zo las ik ergens, worden afgeleid dat God Zijn scheppingswerk over zes dagen verspreid heeft met het oog op de latere weekindeling van de mensen.

De zondag als rustdag staat in onze samenleving steeds meer onder druk. Afgelopen zondag werd dat nog weer eens duidelijk toen -tegen uitspraken van de rechter in- in het Amsterdamse stadsdeel Noord een supermarkt de deuren op de eerste dag van de week opendeed.

Een zoveelste incident in de strijd over de Winkeltijdenwet, die gemeenten ruimte biedt om twaalf zondagen per jaar de winkels open te houden. De wet kent ook een zogenaamde toeristische bepaling. Die geeft gemeenten die te maken hebben met toerisme de mogelijkheid meer dan twaalf zondagen de winkels op te houden. We zien dat echter ook gebeuren op plaatsen die de benaming toeristisch niet verdienen.

Teken van hoop

Tijdens de coalitieonderhandelingen heeft de ChristenUnie met coalitiepartners CDA en PvdA de afspraak kunnen maken daaraan iets te gaan doen. Er ligt inmiddels een wetsvoorstel bij de Tweede Kamer. Ook ligt er over hetzelfde onderwerp een initiatiefwetsvoorstel van SGP en SP.

Beide wetsvoorstellen roepen veel verzet op. Tijdens een Kamerdebat in januari sprak het net beëdigde VVD-Kamerlid Elias over een hobby van de ChristenUnie. “Laat mensen zelf bepalen wat ze op zondag doen”, zo besloot Elias zijn maidenspeech.

Laat ik hierover het volgende zeggen: opkomen voor de zondag als rustdag is geen hobby van een christelijke politieke partij. Hierachter gaat de overtuiging schuil dat een dag rust goed is voor de samenleving. Het is niet voor niets dat onze God al vanaf het allereerste begin een dag apart heeft gezet en opriep die dag te vieren als een rustdag. Niet alleen om kerkdiensten te kunnen bezoeken. Ook voor het in stand houden van sociale verbanden is het hebben van gemeenschappelijke vrije tijd een belangrijke voorwaarde.

Als christenpoliticus zie ik het als een opdracht om ook in een seculiere samenleving op te blijven komen voor de zondagsrust. Dat zal allereerst tot uitdrukking moeten komen in mijn eigen leven. Op zondag ligt in principe het werk stil, ook al ligt er werk genoeg. En waar dat maar kan, zullen we in wetgeving aandacht blijven besteden aan het waarborgen van de zondagsrust.

We doen dat ook vanuit het geweldige perspectief dat opgesloten zit in het principe van de zondagsrust. Ik las dat ergens zo: “De rustdag/sabbat blijft een teken van de heerlijke rust en vrede met God, die in principe geschonken is door het lijden en sterven van Jezus Christus. Jezus nodigt allen uit om de werkelijke rust bij Hem te vinden. In de opstanding uit de dood is de overwinning over de zonde duidelijk aangetoond, wat de bevrijding en vrede van een rustdag op de eerste dag van de week, de opstandingsdag, extra benadrukt. De onderhouding van de rustdag is dan tegelijk een teken van de hoop op het leven met God in de eeuwige sabbat van de nieuwe hemel en aarde.”

De auteur is voorzitter van de ChristenUniefractie in de Tweede Kamer.

“Kleine kracht” genoeg voor christen in samenleving

In de Waalse kerk in Den Haag wordt iedere derde dinsdag van de maand een residentiepauzedienst gehouden. Een Haagse predikant spreekt daarin een meditatie uit, waarna een politicus van een van de christelijke partijen een korte toespraak houdt. Deze toespraak is van mr. A. Rouvoet (ChristenUnie).

Bij de laatste verkiezingen voor de Tweede Kamer werd de partij waarvan ik als lijsttrekker optrad gezegend met een verdubbeling van het aantal zetels. Dat was heel anders bij de verkiezingen drie jaar eerder. Toen verloren wij, voor de tweede keer op rij, een zetel.

Het staat me nog levendig voor de geest hoe wij op de avond van die teleurstellende verkiezingsuitslag in 2003 stilstonden bij de tekst uit Openbaring die ook het thema is voor deze dienst: “Gij hebt kleine kracht, maar gij hebt Mijn woord bewaard en Mijn naam niet verloochend.” We wisten op dat moment niet welke mogelijkheden zich nog voor het bedrijven van christelijke politiek in een geseculariseerd land zouden openen. Wel deelden we met elkaar het besef dat wij niet in de eerste plaats geroepen zijn tot succes, maar tot gehoorzaamheid en tot trouw in de dienst aan Hem. En we spraken het vertrouwen uit dat Hij beter dan wijzelf weten wat mensen nodig hebben om hun werk in de wijngaard te kunnen doen.

We zijn nu vijf jaar verder. De situatie is op het eerste gezicht ingrijpend veranderd. Voor het eerst in de parlementaire geschiedenis neemt een van de kleine Bijbelgetrouwe partijen deel aan de regering van dit land. Na anderhalf jaar beschouw ik dat nog altijd als een reden voor verwondering en dankbaarheid. In politiek opzicht is het inderdaad een ingrijpende verandering in positie om van de oppositiebankjes op het regeringspluche te belanden. Toch is er bij mij van meet af aan ook het besef geweest: christenen mogen politiek-maatschappelijk verrassend zijn opgeschoven van de marge naar de macht, geestelijk en cultureel blijven hun overtuigingen onder druk staan.

De mogelijkheden om het geestelijk klimaat van een land van overheidswege te beïnvloeden zijn beperkt in een democratische rechtsstaat. Voor een christenpoliticus die zijn wortels in het calvinisme heeft, is het een zaak van principiële overtuiging om de staatsmacht aan te wenden voor bescherming van de geestelijke vrijheid, niet voor de beperking ervan. Toch is er alle reden om ook in een postchristelijke samenleving vrijmoedig bestuurlijke verantwoordelijkheid te nemen. Goed bestuur, dat het recht handhaaft en de gerechtigheid wil bevorderen, heeft immers een heilzame invloed op het welzijn van land en volk.

Stand houden

Dat vraagt om standvastigheid, en om de bereidheid leiderschap te tonen. Denk aan het Bijbelse voorbeeld van Gideon, die zijn opdracht met een steeds kleiner wordend groepje mensen moest uitvoeren. Als men inderdaad trouw aan Gods woord en aan zijn Naam is, zal dit nooit tevergeefs zijn. Het gaat in het leven en óók in de christelijke politiek niet om wat wij aan kracht opbrengen, niet om het aantal mensen dat wij voor de goede zaak weten te mobiliseren. Het gaat erom of we geloven dat God door ons en ondanks onze zwakheden wil werken.

Dat is echter geenszins een aansporing om zich maatschappelijk te isoleren, of om zich niet in te spannen om steun te zoeken voor een op de Bijbel gebaseerde overtuiging. Integendeel. Jezus zelf leerde immers dat wie in Hem geloven zout en licht zijn in de wereld.

Trouw zijn en standhouden betekenen niet: stilstaan, zich onttrekken aan het strijdgewoel. Het betekent, in de woorden van Paulus aan Timotheüs: de goede strijd strijden, en daarbij ten overstaan van God vlekkeloos en onberispelijk blijven. Het betekent soms dat een christen, net als Abraham, de roepstem van de Heer volgt door het vertrouwde achter zich te laten om op reis te gaan naar het onbekende. Daarvoor is vertrouwen nodig. Geen vertrouwen op eigen kracht of twijfelachtige verwachtingen, maar op de zekerheid van Gods beloften. Christus belooft aan de gemeente van Filadelfia “trouw te zijn aan wie Hem trouw zijn.” Met die belofte zal “kleine kracht” genoeg zijn voor ieder die verantwoordelijkheid neemt als christen in de samenleving.

De auteur is vicepremier en minister voor Jeugd en Gezin.

Trouw tot de dood in dienst van de gerechtigheid

“Geef ons vertrouwen in elkaar”, zo hoorde ik onlangs in de kerkdienst de predikant bidden. Dat was voor hem geen achteloos uitgesproken bede. Hij werkt in een van onze grote steden met en voor Turkse, Marokkaanse en Antilliaanse Nederlanders. Hij kent van dichtbij de spanningen, de wereld van vooroordelen, de achterstanden en het gebrek aan vertrouwen in elkaar.

Vertrouwen verwijst naar het belang van maatschappelijk cement, samenbinding, afstemming van gedrag, wederzijds respect. Vertrouwen vergt dat we oog hebben voor de ander en zijn belangen. Een mens mag zichzelf liefhebben, maar die liefde is, zoals blijkt uit het grote gebod, niet los te zien van de liefde die wij God verschuldigd zijn. En God liefhebben betekent ook trouw zijn aan Zijn goede leefregels, Zijn wet voor het leven.

Het thema van deze dienst, “Trouw tot in de dood” (naar aanleiding van Openb. 2:8-11) houdt ons voor dat er kennelijk waarden zijn die zo fundamenteel zijn dat ze een mensenleven overstijgen. Daar schuilt iets tegenstrijdigs in, iets waartegen een mens zich van nature verzet. Eigenlijk kan die spanning slechts worden opgelost als er een vertrouwen is in een leven na de dood, op de lauwerkrans van het leven, zoals de tekst zegt. En zo legt het geloof in een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, waarop dit Bijbelboek uitloopt, een fundament onder ons leven en ons samenleven in het hier en nu.

Geweld

Mag een overheid van burgers een loyaliteit, een trouw vragen die zo ver gaat als het offer van hun leven? Ik wijs er allereerst op dat trouw een waarde is die niet vreemd is aan het politieke leven. Wie het ambt aanvaardt van minister of lid van de Eerste of Tweede Kamer moet zweren of beloven trouw te zijn aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van het ambt.

Hier verwijst trouw naar de noodzaak gezagsdragers te binden aan de grondregels van de rechtsstaat. Ze zijn immers niet de eigenaar van hun ambt, maar de dienaar ervan. Het ambt wordt hun als het ware ter beschikking gesteld, van hen wordt derhalve gevraagd dat ambt trouw te zijn. Voor de burger gaat het erom dat hij erop kan vertrouwen dat die gezagsdragers trouw hun ambt vervullen.

Trouw is ook een kernwaarde in de krijgsmacht, het dwanginstrument waarmee de overheid het recht wil dienen. Militairen leren te vertrouwen op het oordeel van hun commandant. Een dienstbevel moet worden opgevolgd. Militaire discipline is een operationele noodzaak, maar ook een daad van trouw.

Recht en geweld staan tot elkaar in een ongemakkelijke verhouding, lijken zelfs tegenover elkaar te staan, elkaar uit te sluiten. In wezen is dat een pacifistische positie, waarin van de overheid wordt gevraagd in alle gevallen af te zien van het gebruik van geweld. De christelijke ethiek heeft dat radicale standpunt niet willen aanvaarden. Het is juist de trouw aan het recht dat in sommige situaties het gebruik van geweld legitimeert.

Toen ik als minister voor het eerst mededeling moest doen van het sneuvelen van een korporaal in Uruzgan, heb ik in de Kamer gezegd dat politici in een verantwoordelijkheidsrelatie staan tot deze militair. Ze kunnen en mogen derhalve de vraag naar de betekenis van zijn dood niet ontlopen.

Trouw zijn tot in de dood, het is een zaak van diepe ernst en veel minder van heroïek. En toch mogen wij deze korporaal een held noemen. Omdat hij trouw was in dienst van de gerechtigheid.

Ambities christenpoliticus begrensd

Doel van Christus’ koningschap is het werk van God, niet dat van mensen


Hoe verhoudt het hemels koningschap van Christus zich tot de aardse, politieke machtsuitoefening door overheden? Daarover sprak minister mr. A. Rouvoet gisteren tijdens de maandelijkse residentiepauzedienst in de Waalse Kerk te Den Haag. Besef van Christus’ koningschap leidt volgens hem tot een begrensde ambitie en een hoge taakopvatting.

Alle macht in hemel en op aarde is gegeven aan Jezus Christus. Hij regeert. Het heeft even geduurd voordat de eerste leerlingen van Jezus en hun tijdgenoten begrepen dat hun Messias geen politieke vrijheidsstrijd wilde voeren tegen de Romeinse bezetter. Jezus zei, vlak voor Zijn kruisiging, tegen Pilatus dat “Zijn Koninkrijk niet van deze wereld is.”

Het hemels koningschap van Christus kan en mag dus niet worden vereenzelvigd met welke aardse, politieke constellatie dan ook. De wijze waarop dit in de westerse geschiedenis toch is gedaan door christelijke koningen en kerkvorsten die politieke macht gebruikten ter verspreiding van het geloof, heeft terecht veel kritiek gekregen. Het heeft eeuwen geduurd en bloedige strijd in de tijd van Reformatie en Contrareformatie gekost voordat de scheiding van kerk en staat doordrong tot het algemeen christelijk gedachtegoed. Het is daarom niet zo heel vreemd als christenen die vandaag de dag geloof met politiek willen verbinden, stuiten op argwaan, zoals dat zaterdag bleek tijdens een congres over precies dit vraagstuk.

Toch is die argwaan wel een tikkeltje anachronistisch: christenpolitici staan vandaag de dag wel voor de onderscheiding van kerk en staat, en realiseren zich terdege dat het doel van Christus’ koningschap, namelijk de verlossing van het kwaad, de verzoening met God en het vestigen van een eeuwig vrederijk, het werk is van God, niet dat van mensen.

Geen opmaat

Christelijke politiek is daarom anti utopisch: wij zullen de macht van de overheid niet aanwenden om een ideale samenleving of een heilsstaat te realiseren waarin het kwaad wordt uitgebannen en alle mensen zich tot het christelijk geloof bekeren. Dat mag de overheid niet, en ze kan dat ook niet. In afwachting van Christus’ wederkomst reikt de taak van de overheid niet verder dan het beteugelen van het kwaad en het bevorderen van publieke gerechtigheid. Dat is al een geweldige opgave. Ze zal moeten werken met het besef dat het kwaad tot aan het einde van de wereld onder ons zal zijn. Juist christenen weten immers: de bron van het kwaad ligt niet in maatschappelijke structuren of wetgeving; die ligt in het menselijk hart zelf.

Deze christelijke visie op de overheid bepaalt de grenzen van haar taak en mogelijkheden. Ze bepaalt dus ook de grenzen van de ambities waarmee een christenpoliticus toetreedt tot de regering. Van de toetreding door christelijke partijen tot de regering mag geen ingrijpende geestelijke verandering van een natie worden verwacht. Dat is geen opdracht voor de politiek, maar voor de kerk. Wie aan het aantreden van dit kabinet de verwachting ontleent dat dit de opmaat vormt naar een christelijk Nederland, ziet voorbij aan de geestelijke dimensie, overvraagt de christelijke politiek en dreigt de kerk in haar kerntaak te hinderen.

Hoge taakopvatting

Besef van Christus’ koningschap leidt anderzijds wel tot een hoge taakopvatting. In een christelijk bepaalde visie op de overheid is het haar taak het kwaad te beteugelen en gerechtigheid te bevorderen. Een overheid die deze taak met gezag uitoefent, heeft daarmee een weerhoudende, beschermende invloed op het maatschappelijk verkeer, de rechtsorde en het cultureel klimaat. De overheid draagt bij aan een klimaat van vrijheid en zekerheid waarin mensen -ook de zwakkeren onder hen- zich gezond en veilig kunnen ontwikkelen, zorg dragen voor elkaar, onderwijs geven of ontvangen en rentmeester zijn over de schepping.

Een overheid die deze taak zonder toewijding of te smal opvat, is bepaald geen zegen voor een land. Zo’n overheid laat de bevolking aan haar eigen lot en aan de willekeur van andere machten, zoals van markt en media, over. Een overheid is er “u ten goede”; ze spant zich in om alle burgers tot hun recht te laten komen.

De afgelopen halve eeuw hebben zich veel stormachtige veranderingen voltrokken in ons land, op economisch, sociaal en cultureel gebied. Er zijn positieve ontwikkelingen aan te wijzen, zoals de toegenomen welvaart en mogelijkheden voor mensen om hun talenten te ontplooien. De overheid heeft daarin steeds een rol gespeeld. Op dit moment doet zich een kentering voor, waarbij mensen meer oog krijgen voor nadelen die kleven aan decennia van individualisering, secularisatie, commercialisering en het toenemend verbruik van natuurlijke hulpbronnen. Er ligt een taak voor de overheid om hierin leiderschap te tonen.

Verantwoording

Dit is geen specifiek christelijke opdracht, of een taak die in het bijzonder door christenen zou kunnen worden uitgevoerd. Het is wel een taak die christenen zich moeten aantrekken. Wie leeft vanuit de erkenning van het koningschap van Christus en vanuit het geloof dat ieder mens, ook regeerders, ter verantwoording zullen worden geroepen, zal biddend willen meewerken aan de regering van land en volk.

En dan leren we van de biddende David ook het perspectief van de aardse regeermacht: níét het langdurig uitoefenen van de macht zelf, maar het in ere houden van de Naam van God Zelf. Moge dat het perspectief zijn waarin christenen hun arbeid ook in de politiek verrichten.

De auteur is minister voor Jeugd en Gezin.