Politicus als lichtdrager

In de Waalse kerk in Den Haag wordt elke derde dinsdag van de maand een residentiepauzedienst gehouden. Een predikant spreekt een meditatie uit, waarna een politicus van een van de christelijke partijen een toespraak houdt. Deze toespraak is van dr. R. Bisschop.

Christenen zijn geroepen om ”lichtdragers” te zijn. Zij zijn het licht van de wereld, de kaars op de kandelaar, die niet onder een korenmaat verborgen wordt maar schijnt voor allen die in het huis zijn. „Laat uw licht alzo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken mogen zien en uw Vader, Die in de hemelen is, mogen verheerlijken”, zegt Jezus in de Bergrede. Dit lijkt vooral een opdracht voor elke gelovige en voor de kerk als geheel. Maar wat kan of moet een christenpoliticus met deze opdracht?

Laat ik u eerst het verhaal vertellen van de ”kerk van de brandende lampen”, zoals dat in verschillende versies is overgeleverd.

Ergens in een Frans dorpje staat een kerkje dat in de volksmond de ”kerk van de brandende lampen” wordt genoemd. Het dateert uit de zestiende eeuw. Bij de inrichting van het gebouw werden geen kaarsenkronen of olielampen aangebracht. Wel kregen alle zitbanken brede armleuningen.

Elke dorpeling die belijdenis van het geloof aflegde, kreeg een olielampje uitgereikt en had dat in bruikleen tot zijn of haar overlijden. Iedere zondagavond kwamen ze naar de kerk, met in hun hand dat ouderwetse olielampje. Daar werd de olie bijgevuld en de lamp aangestoken. Dan plaatsten de kerkbezoekers de lampen op de brede armleuningen, zodat de hele ruimte verlicht werd.

Trouw kwamen de gemeenteleden bijeen, omdat ze wisten dat het in de kerk donkerder werd als ze thuis bleven. Na afloop van de dienst keerde ieder met de brandende lamp in zijn of haar hand terug. Die verlichtte de donkere terugweg en vervolgens ook hun woningen, waar de lamp gedurende de week erna geregeld werd bijgevuld.

Een verhaal met bijzondere lessen. Het gaat over de betekenis en de kracht van de prediking van het Woord, over de taak van de kerk, over ieders persoonlijke verantwoordelijkheid, maar ook over de plaats die christenen in de samenleving innemen. De lampen, die in de kerk werden aangestoken, verlichtten immers in de duistere avond de weg van de terugkerende kerkbezoekers en ook hun huizen. Dat laatste wil ik hier nader uitwerken door dit op het politieke terrein te betrekken. De vraag is dan: Hoe kun je als christenpoliticus iets van Gods licht weerspiegelen of laten schijnen in de donkere wereld waarin wij leven?

Inderdaad, het spreekgestoelte in de raadzaal of de Tweede Kamer is geen preekstoel. De Bijbelse boodschap van verlorenheid, maar ook van Gods genade door Christus, zal daar dus anders uitgedragen moeten worden dan vanaf de kansel.

De taak van overheden bestaat in essentie uit twee delen: het goede doen en het kwade weren. Het is niet hun vrijblijvende keuze om dit wel of niet te doen, maar deze opdracht raakt de kern van hun bestaansrecht.

Een politicus of bestuurder die zich noemt naar de naam van Christus kan weten wat het goede is. Het Woord van God is daarover helder en duidelijk. Dat is een lamp voor zijn voet. Daarom zal hij zich inzetten voor de bescherming van het leven, de waarde van het huwelijk en voor de belangen van het gezin. Hij zal opkomen voor de zwakkeren in de samenleving, voor hen die steun van hun naasten, de kerk of de overheid nodig hebben. En, om niet meer te noemen, hij zal een krachtig pleitbezorger zijn voor de bevordering en handhaving van maatschappelijke orde en veiligheid, een kerntaak van de overheid.

Een christenpoliticus of -bestuurder kan ook weten wat het kwade is dat hij moet tegenstaan en weren. Daarom zal hij zich keren tegen de tomeloze uitbuiting van de aarde en het onrecht dat gepleegd wordt. En hij zal zich inzetten om allerlei godloze, seculiere ideologieën te ontmaskeren en daartegen strijden – ideologieën die huwelijk en gezin ontwrichten en het onderscheid tussen man en vrouw willen wegvagen, die de seksualisering van de samenleving bevorderen, die abortus en euthanasie als recht opeisen en het zelfbeschikkingsrecht over het leven propageren.

Een christenpoliticus wéét dat neutraliteit niet bestaat in de geestelijke strijd die zal voortduren totdat Christus terugkomt. Of, met een citaat dat toegeschreven wordt aan Edmund Burke, hij weet: „Het enige wat nodig is om het kwaad te laten zegevieren is dat goede mensen niets doen.”

Daarom zal hij alle middelen gebruiken om het goede te doen en het kwade te weren. Met politieke instrumenten, maar ook door samenwerking met kerken en organisaties, door aansluiting bij acties vanuit de samenleving of door die te initiëren. Gedreven door het gebod om God lief te hebben boven alles en de naaste als zichzelf.

Bovenal is er het gebed, dat krachtige wapen in de geestelijke strijd. Dat moet een belangrijk bestanddeel geweest zijn van de olie in de lampen die vanuit die oude Franse ”kerk van de brandende lampen” werden meegedragen, de wereld in, de huizen verlichtend. Bij dat licht zal niet alleen een christenpoliticus, maar iedereen vanuit de eigen plaats zijn of haar verantwoordelijkheid nemen.

De auteur is Kamerlid voor de SGP.

Zelfbeheersing is geen prestatie maar vrucht van de Geest

In de Waalse kerk in Den Haag wordt elke derde dinsdag van de maand een residentiepauzedienst gehouden. Een predikant spreekt een meditatie uit, waarna een politicus van een van de christelijke partijen een toespraak houdt. Deze toespraak is van mr. Kees van der Staaij (SGP).

Stel je eens voor dat iedereen volkomen zelfbeheersing zou kunnen opbrengen. Wat zou het leven er dan anders uitzien! Geen verslaving meer, geen mishandeling, geen scheldkanonnades. Geen overspel, geen aanrandingen, geen #MeToo-verhalen. Overheden hebben ineens veel minder te doen. Er is veel minder politie nodig. Verslavingsklinieken kunnen de deuren sluiten. Stel je eens voor…

De werkelijkheid is helaas heel anders. Zelfbeheersing, matigheid: ze zijn vaak ver te zoeken. Om het met de woorden van Galaten 5 te zeggen: de werken van het vlees zijn overal te vinden. Woede, boosheid en tweedracht. Overspel, onreinheid en dronkenschap.

Daarom blijft het belangrijk om het ontbreken van zelfbeheersing aan te pakken, onmatigheid tegen te gaan en ongebondenheid in te perken. In de gereedschapskist van de overheid zitten straffen en subsidies, belastingen en protocollen. Maar echte gedragsverandering voor elkaar krijgen is ongelooflijk lastig.

Knappe koppen van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) schreven onlangs een mooi boek, met als titel ”Weten is nog geen doen”. Ook al weet je wat goed voor je is, dan doe je dat nog niet altijd. Als je scholen opent, kun je daarom nog geen gevangenissen sluiten. Er is meer nodig. Je moet kunnen omgaan met verleiding en tegenslag, je moet sterke impulsen kunnen bedwingen. Daar heb je inderdaad zelfbeheersing voor nodig.

Jong geleerd is oud gedaan. Het is de moeite waard om daar in opvoeding en onderwijs goed oog voor te hebben. Zelfbeheersing heeft ook alles te maken met karaktervorming, door oefening en training. Discipline valt te leren!

Hoe lastig zelfbeheersing is, zie je al duidelijk bij een gezonde leefstijl, bijvoorbeeld het tegengaan van te veel alcohol of te vet eten. Je hoort het in onze samenleving van alle kanten dat dit niet goed is. Maar ook al ben je echt overtuigd van de waarde van een gezonde leefstijl, dan kan het nog heel lastig zijn om maat te houden. Is het een wonder dat er al helemaal veel misgaat op seksueel gebied? Hier ontbreekt het in onze samenleving immers aan een breed gedeelde overtuiging over wat goed en kwaad is.

Zondigen? Het lijkt er in onze tijd meer op dat het volgen van je gulzige verlangens en het toegeven aan je sterke driften het richtsnoer voor een goed leven zijn. Overspel? Moeten mensen zelf weten. Hoererij? Vrije keus. Onreinheid? Smaken verschillen. Dat is de wereld op zijn kop.

Laten we alsjeblieft niet denken dat gebrek aan zelfbeheersing een naar kwaaltje van ongelovigen is. Alsof christenen allemaal vrome Jozefs zijn. Zelfbeheersing is en blijft voor iedereen een opgave, wie hij of zij ook is. Als alles voor de wind gaat, lijkt het soms allemaal wel mee te vallen. Maar bij tegenslag en sterke verleiding kunnen we zomaar diep vallen.

De duivel is er zeker ook op uit om keurige kerkmensen te verleiden. Ons geloof betekent niet dat het monster in ons, de diepe verdorvenheid, automatisch getemd is. David was een kind van God maar vergreep zich wel aan Bathseba. Moedig weerstand bieden kan alleen in Gods kracht.

Het is waardevol om oog te hebben voor zelfbeheersing als opgave, voor karaktervorming in opvoeding en onderwijs, voor oefening en training. Maar vooral is het geen menselijke prestatie, maar een vrucht van de Geest.

Het woord ”zelfbeheersing” zet gemakkelijk op het verkeerde been. Alsof het toch weer om eigen kunnen draait. Dan gaat het juist mis. De kernboodschap is: verwacht het niet van jezelf. Wandel niet in eigen kracht. Maar leef van Gods genade.

Wandel door de Geest, zegt Paulus in Galaten 5. Geef niet toe aan zondige neigingen. Laat u leiden, laat u beheersen door de Heilige Geest. Als die Geest het hart doortrekt, als de liefde van Christus de toon zet en de vreugde in Hem wordt gesmaakt, verbleekt de verleiding van het kwaad. Dan wordt zelfbeheersing niet meer een geweldige en soms wanhopige opgave, maar dan verliezen verkeerde hartstochten hun greep.

En zo eindigt dit Bijbelgedeelte zoals het begonnen is, met de oproep: indien wij door de Geest leven, zo laat ons ook door de Geest wandelen. De werken van het vlees brengen alleen een akelige kilte en een nare duisternis. De vrucht van de Geest geeft een weldadige warmte en een heerlijk licht. Laat ons dan door die Geest wandelen. Wij zijn ontrouw en zwak. Hij is getrouw en sterk.

De auteur is Kamerlid voor de SGP.

Zachtmoedigheid en politiek

In de Waalse kerk in Den Haag wordt iedere derde dinsdag van de maand een residentiepauzedienst gehouden. Een predikant spreekt een meditatie uit, waarna een politicus van een van de christelijke partijen een toespraak houdt. Deze toespraak is van Pieter Grinwis (ChristenUnie/SGP).

Precies een week geleden presenteerden Rutte, Buma, Pechtold en Segers hun regeerakkoord ”Vertrouwen in de toekomst”. Verschillende records werden en passant gebroken. Wat duurde het lang, nog langer dan de formatie van het kabinet-Van Agt/Wiegel in 1977. En wat is het regeerakkoord dik, dikker dan welk regeerakkoord ook. En wat is er hard onderhandeld.

De totstandkoming van zo’n regeerakkoord heeft toch weinig met zachtmoedigheid te maken? Zachtmoedig onderhandelen is toch naïef? Als je even iets te toegeeflijk bent, ben je je punt kwijt. En de nieuwe regering is nog niet aangetreden of menig kopstuk heeft ongezouten zijn of haar waarheid aan de beoogd premier meegedeeld. Eerder ‘hardmoedig’ dan zachtmoedig. En als een keer niet onbarmhartig de waarheid wordt verteld, dan wordt er wel om de hete brij heen gedraaid. Dat is niet zachtmoedig. Dat is in het geheel niet moedig.

Wat kun je eigenlijk met zachtmoedigheid in de politiek? Het heeft zo’n softe bijklank. Zachtmoedig zijn is echter niet wankelmoedig of soft of naïef zijn. Het vraagt juist lef om én zacht én moedig te zijn. Om je neer te buigen over iemand in plaats van je neerbuigend over iemand uit te laten. Om mild én eerlijk te zijn. Om een ander niet onbarmhartig maar genadig de waarheid te zeggen.

Tijdens de onderhandelingen waren er ook van die momenten dat onderhandelaars beseften dat, zoals Carola Schouten het zaterdag liet optekenen in een interview, de pijn van jezelf altijd groter lijkt dan die van de ander. Je kunt nog zo overtuigd zijn van je eigen gelijk, als je beseft dat de ander echt een probleem ergens mee heeft en dat je allebei met een verhaal naar buiten moet komen en mee in plaats van tegen gaat denken, dan kom je verder. Dat vraagt om ”zachtmoedige wijsheid”, zoals Jakobus dat noemt. Om verbinding in plaats van verwijdering.

Natuurlijk gaat de zachtmoedige wijsheid waar Jakobus het over heeft een onderhandelingsproces waarin wordt gegeven en genomen verre te boven. Maar toch, zelfs in onderhandelingen op het scherp van de snede kan een geest van zachtmoedigheid bijdragen aan het overbruggen van grote verschillen.

Is er daarmee dan ook een zachtmoedig regeerakkoord? Dat durf ik niet te zeggen. Ik denk dat zachtmoedigheid in de politiek zeker van doen heeft met de inhoud ervan. De zachtmoedigen roepen immers om recht, zo wordt duidelijk uit Psalm 37. In een wereld vol onrecht doen zij recht. Ze keren zich af van het kwade en doen het goede. Tegen het dikke ik, tegen zelfgenoegzaamheid en voor verbondenheid en wederkerigheid.

Daarmee is zachtmoedigheid niet alleen een kwestie van inhoud maar zeker ook van stijl. Een zachtmoedige in de politiek herken je toch vooral aan de manier waarop hij of zij politiek bedrijft. Niet terugslaan als je wordt aangevallen, en je tegelijk toch niet aangevallen voelen.

Mozes leidde op een uitgesproken krachtige wijze het volk Israël uit Egypte naar het beloofde land. Hij was allesbehalve een watje of een wankelmoedig man. En bovendien een man die, zeker in zijn jongere jaren, driftig en agressief kon zijn. Wat lezen we echter over Mozes als zijn leiderschap door nota bene zijn broer Aäron en zijn zus Mirjam in twijfel wordt getrokken? „Maar de man Mozes was zeer zachtmoedig, meer dan alle mensen die op de aardbodem waren” (Num. 12:3).

Terwijl in dat derde vers van Numeri 12 een boze of bittere reactie op haar plaats leek, worden we geconfronteerd met de zachtmoedigheid van Mozes. In plaats van met boosheid en bitterheid, met agressiviteit en arrogantie, komen we in aanraking met mildheid, bescheidenheid, welwillendheid, vriendelijkheid, vredelievendheid, zachtheid, nederigheid, geduld, zelfverloochening, liefde.

Niet dat Mozes altijd zo was, integendeel. Ook voor hem was zachtmoedigheid een levenslang leerproces. Maar toch, die houding van Mozes is een belangrijke les voor ons. Of om het eigentijds te zeggen: „If they go low, we go high” (Michelle Obama).

Zachtmoedigen mogen vertrouwen hebben in de toekomst. Jezus zegt immers: „Zalig zijn de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde beërven.” Uiteindelijk trekken niet de sterksten, niet de brutaalsten, niet de gewieksten aan het langste eind. De toekomst van de wereld is niet een resultaat dat wijzelf kunnen boeken, maar een erfenis die ons wordt toegekend. En Jezus wijst zachtmoedigen aan als wettige erfgenamen van het leven.

Zou het ons lukken om het leven zachtmoedig te vervolgen? Gelukkig zegt Jezus: „…leer van Mij dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart…” Dat is een levenslange leerschool, in de politiek en daarbuiten, aan de voeten van Jezus, Die Zelfs aan het kruis nog bad: „Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat ze doen.” Met deze onvoorstelbaar zachtmoedige Jezus voor ogen mogen we onze weg vervolgen. Op hoop van zegen.

De auteur is fractievoorzitter van de ChristenUnie/SGP in de Haagse gemeenteraad.

Trou moet blijcken

In de Waalse kerk in Den Haag wordt iedere derde dinsdag van de maand een residentiepauzedienst gehouden. Een predikant spreekt een meditatie uit, waarna een politicus van een van de christelijke partijen een toespraak houdt. Deze toespraak is van Peter Schalk (SGP).

In Lisse, de plaats waar ik ben opgegroeid, waren destijds twee muziekkorpsen. Het ene korps heette Canite Tuba. Blaast de bazuin! De naam van het tweede korps was Trou moet blijcken. Trouw mag gevraagd, verwacht, zelfs geëist worden van mensen die in het publieke domein een ambt mogen vervullen.

Het woord ”trouw” staat centraal als we nadenken over een van de vruchten van de Geest, namelijk geloof. In de kanttekeningen bij Galaten 5 staat bij het woord geloof: „Dat is trouw in de belofte en bediening zijns ambts.” De woorden geloof en trouw worden daar dus aan elkaar gekoppeld.

Overigens is dat een prachtig koppel van woorden, geloof en trouw. Die woorden doen direct denken aan de combinatie in die overbekende (maar niet vaak toegelichte) woorden uit het klassieke huwelijksformulier. Daarin wordt aan bruid en bruidegom gevraagd of zij voor elkaar zorgen en elkaar liefhebben, en wel „hem of haar trouw en geloof houdende in alle dingen.”

Trouw en geloof houden. Dat betekent eigenlijk dat er een belofte van geloofwaardigheid en betrouwbaarheid wordt afgelegd. Dat je op elkaar kunt rekenen, als man en vrouw. Deze betekenis kan ons helpen om de stap te maken naar trouw en geloof in de politiek en de samenleving.

Eigenlijk is dat wel heel bijzonder: de eed binnen de kerk wordt afgelegd met een enkel ”ja”. Is dat misschien omdat er reeds geloofd mag worden dat God erbij is?

In ieder geval is dit in tegenstelling tot de eed buiten de kerk: daar wordt de Naam van God erbij gehaald. Sterker nog, daar wordt de hulp van God ingeroepen en wordt de afhankelijkheid van de mens beleden, in die diepe klanken: „Zo waarlijk helpe mij God almachtig!”

Niet: „Dat verklaar en beloof ik”, maar: „Zo waarlijk helpe mij God almachtig.” Met twee vingers omhoog, waarvan eens de betekenis werd meegegeven: twee weten ervan, mijn God en ik.

En waarbij wordt die hulp dan ingeroepen? Een onderdeel van de formule die aan een Kamerlid wordt voorgehouden en waarop hij de eed aflegt, is de volgende: „Ik zweer trouw aan de koning, aan het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden en aan de Grondwet.”

Trouw aan de koning. Heel praktisch betekent dat bijvoorbeeld dat we de koning de plaats gunnen die hem toekomt. Wat mij betreft ook in het formatieproces. Na twee moeizame kabinetsformaties is het wellicht een idee om terug te gaan naar de vroegere route.

Trouw aan het Statuut van het Koninkrijk der Nederlanden, waarin de relatie tussen de koninkrijksdelen wordt geregeld. Denk bijvoorbeeld aan artikel 36 van het statuut, waar staat: „Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten verlenen elkander hulp en bijstand.” Dat lijkt me duidelijke taal nu een deel van ons koninkrijk zwaar getroffen is door orkaan Irma.

Trouw aan de Grondwet: niet voor niets beschermen de grondrechten de vrijheden van burgers en hun organisaties. De Grondwet is een belangrijke waarborg tegen vergaande overheidsinmenging. Juist om dat karakter te behouden, is het nodig dat christenpolitici betrouwbaar en geloofwaardig handelen.

Er volgt nog een zinsnede bij de eed: „Ik zweer dat ik de plichten die mijn ambt mij oplegt getrouw zal vervullen.” Onder dat beding moet het ambt van ambtenaar, van volksvertegenwoordiger en van bestuurder worden uitgeoefend.

In ieder geval blijven er twee opdrachten over, verbeeld in de namen van die twee muziekkorpsen, marcherend door onze straat in Lisse.

De eerste opdracht is Canite Tuba. Blaast de bazuin, maar dan zoals de Bijbel erover spreekt in verschillende betekenissen. Om alarm te slaan, als het fout gaat. Of om bijeen te roepen, bijvoorbeeld voor een dag van gebed. Of voor een residentiepauzedienst, om te bidden voor hen die verantwoordelijkheden dragen.

En de tweede opdracht: Trou moet blijcken. Er is een oude rederijkerskamer in Haarlem die deze naam draagt. De leden van die kamer noemen zich pellicanisten. Dat komt van de pelikaan, de grote vogel die symbool staat voor moedertrouw. Het verhaal gaat dat pelikanen in geval van schaarste hun kinderen voeden met het bloed uit hun opengepikte borst. In de christelijke iconografie staat de pelikaan ook symbool voor opofferingsgezindheid, en met name voor Christus’ offerdood.

Inderdaad, als er iemand trouw was, dan was Hij het wel. Zo getrouw dat Hij niet zal laten varen het werk dat Zijn hand begon, zoals we iedere zondag in de kerk mogen horen. Getrouw tot in de dood. Daardoor heeft Hij gaven verworven, ook geloof en trouw, die uitgedeeld worden door de Heilige Geest aan degenen die door genade in Christus Jezus geborgen zijn.

Christenpolitici dragen de naam van deze Christus. Laten we dan ook navolgers zijn van Hem. Er wordt op ons gelet. Niet alleen of we Hem naspreken en Zijn Woord laten klinken. Maar ook of we daders van het Woord zijn. Niet in eigen kracht, maar in afhankelijkheid.

De auteur is fractievoorzitter van de SGP in de Eerste Kamer.

Vreugde is geworteld in de ziel

In de Waalse kerk in Den Haag wordt iedere derde dinsdag van de maand een residentiepauzedienst gehouden. Een predikant spreekt een meditatie uit, waarna een politicus van een van de christelijke partijen een toespraak houdt. Deze toespraak is van Roelof Bisschop (SGP).

In 1955 publiceerde de bekende Britse apologeet C. S. Lewis (1898-1963) een soort autobiografie van de eerste helft van zijn leven. Die gaf hij de titel mee ”Surprised by Joy” (Verrast door vreugde). Hij beschrijft hierin hoe hij als atheïst via het theïsme overtuigd christen werd. Een weg die hij mocht begaan als jonge dertiger. Veelzeggend is dat Lewis het laatste hoofdstuk, waarin hij zijn bekering tot het christelijk geloof beschrijft, de titel ”Het begin” meegeeft.

Vreugde of blijdschap is iets anders dan geluk, plezier of oppervlakkige vrolijkheid. De ware aard van vreugde of blijdschap gaat veel dieper. Het is wél een vaste zekerheid, maar geen statisch gegeven, geen onbestreden bezit. Ware blijdschap draagt altijd iets in zich van heimwee – naar iets uit het verleden, dat een kostbare herinnering is geworden. Een hunkerend verlangen en uitzien naar iets schoners. Het is diep in de ziel geworteld. Lewis kan er eigenlijk geen woorden voor vinden, maar iedereen die deze vreugde of blijdschap ervaart, herkent het.

Maar hoe is dat mogelijk: leven in blijdschap en vreugde te midden van een wereld verloren in zonde en schuld? Als het nieuws je confronteert met de ellende van oorlogen, met het misbruik van vluchtelingen voor eigen gewin, met de erbarmelijke omstandigheden waarin zij verkeren, met de verschrikkingen van honger? Hoe kun je nu blijdschap ervaren als je ziet hoeveel kerken in ons land leeglopen? Hoe kun je blijdschap ervaren als je een kind of andere geliefde moet verliezen? Of je huwelijk stukloopt? Als je gezondheid breekt door een ongeneselijke ziekte? Het zijn situaties waar we dagelijks mee te maken hebben, mee worstelen soms. En het zijn terechte vragen. Ook veel heiligen hebben die vaak gesteld, uitgeroepen zelfs. De Bijbel is daar heel eerlijk over. Maar de Bijbel maakt ons ook duidelijk dat al deze zorgen, moeilijkheden en twijfels slechts de oppervlakte van ons bestaan raken. Hoezeer die ook impact hebben op ons leven en geloof.

Het Woord van God laat ons zien dat er een voortdurende geestelijke strijd gaande is. Die strijd begon met de zondeval in het paradijs en zal duren tot de wederkomst van Christus. In die tussentijd leven wij, en moeten wij als christen gewillig onze taak op ons nemen. Ieder op de plaats die ons is toegewezen; kerkelijk, maatschappelijk of politiek. Persoonlijk of samen met onze broeders en zusters.

Maar in die strijd hoeven wij niet meer te winnen, want de overwinning is al behaald – door Jezus Christus. Hij overwon dood en graf, hel en duivel. Wij hebben slechts te doen wat onze hand vindt om te doen, ook in de verkiezingstijd, maar het resultaat hangt niet af van onze inspanningen of prestaties. We mogen vèrder zien dan ons tijdelijk bestaan.

Dat perspectief heeft ook een kosmische dimensie: Zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren zal gaan maar eeuwig leven zal hebben (naar Joh. 3:16). Wij mogen ons vertrouwen stellen op God. Het loopt Hem niet uit de hand. Die zekerheid is de grondtoon van de ware blijdschap.

Verblijdt u te allen tijd: dat is geen plicht, maar een gave, een aansporing om die blijdschap niet uit het oog te verliezen door allerlei beslommeringen of bekommernissen.

Het koninkrijk van satan, de voorlopige heerser van deze wereld, kent geen vreugde of blijdschap, maar slechts verdriet, somberheid, ellende en uitzichtloosheid. Soms gemaskeerd door oppervlakkig geluk, plezier of vrolijkheid. Daartegenover staat het Koninkrijk van Jezus Christus, met zijn ware, diepe vreugde, zijn blijdschap en zijn perspectief op dé toekomst. Lewis was verrast door vreugde, en sloot zijn boek veelbetekenend af met het hoofdstuk ”Het begin”. Ik hoop dat ook wij, terwijl wij de taak verrichten die de goede God ons in dit leven opgelegd heeft, dát begin mogen kennen en met hunkerend verlangen mogen uitzien naar Zijn wederkomst. Maranatha, kom, Heere Jezus, kom!

De auteur is Kamerlid voor de SGP.

We hoeven niet altijd gelijk klaar te staan met ons oordeel

In de Waalse kerk in Den Haag wordt iedere derde dinsdag van de maand een residentiepauzedienst gehouden. Een predikant spreekt een meditatie uit, waarna een politicus van een van de christelijke partijen een toespraak houdt. Deze toespraak is van mr. Kees van der Staaij (SGP).

Als 20-jarige kreeg ik van mijn oudere zus Elly een boek cadeau met de plechtige titel ”Opleiding tot recht verstand der Schrift, voor eenvoudigen die Gods Woord onderzoeken”. Het zijn korte overdenkingen van dr. H. F. Kohlbrugge. Op de achterflap van het boekje staat vermeld dat dit oorspronkelijk in 1845 is verschenen op verzoek van Groen van Prinsterer. Het was Groen kennelijk opgevallen dat Kohlbrugge vaak een mooie en opvallende uitleg gaf van Bijbelgedeelten. Daarom drong Groen erop aan dat Kohlbrugge die passages in een boekje zou verzamelen en uitbrengen.

Nu zal het ook uw ervaring zijn: van veel boeken die je 25, 30 jaar geleden gelezen hebt, weet je je nog maar weinig te herinneren. Maar soms is er iets wat je bijzonder raakt en dat je nooit meer vergeet. Zo is dat mij vergaan. Elke keer als ik de teksten uit Prediker hoor over de jeugd, moet ik aan opvallende woorden van Kohlbrugge uit dit boekje terugdenken. In Prediker 11:9 staat: „Verblijd u, o jongeling, in uw jeugd, en laat uw hart u vermaken in de dagen uwer jongelingschap, en wandel in de wegen uws harten en in de aanschouwingen uwer ogen; maar weet dat God om al deze dingen u zal doen komen voor het gericht.”

Kohlbrugge zegt daarover: Het komt mij voor dat deze woorden ”wandel in de wegen uws harten” niet ironisch of vermanend zijn bedoeld, zoals vaak wordt gedacht. Dan denkt men dat vooral de jeugd een zeer zondige leeftijd is, en bestraft men een jonge man omdat hij niet is als een oude man, en de jonge vrouw omdat zij niet is als haar grootmoeder of oudtante. Volgens Kohlbrugge is het waar zoals het er staat. „Des Heeren Woord wil dat Zijn schepsel zich verheuge en blijde zij voor des Heeren aangezicht. Daarentegen wil de duivel droefgeestigheid, zuur zien, ach’s en och’s waar dit geen pas geeft, dat men zich anders voordoe, dan het hart gestemd is. De jeugd is als de lente. Maar de vernieler van alle menselijk geluk en zoetheid des levens leert de lieve lentebloemen te vertrappen. Hoe anders leert de koninklijke Prediker: „Geniet het leven, zegt hij, jongeling, jonge dochter, wees blijde in uw jeugd, uw hart doe zich te goed in uw dagen, waarin het jonge bloed met frisheid u doorvloeiende, u tot vrolijkheid stemt. Zoals uw hart verlangt, zo doe, en wat gij gaarne ziet, sluit uw ogen niet daarvoor.” De jeugd moet vrolijk wezen. (En wie prijst niet zelfs een vrolijke ouderdom?)”

En natuurlijk komt er dan ook bij Kohlbrugge een ”maar” achteraan. Na het ruimhartige ja tegen het leven, volgt dan in de Bijbelse lijn ook de duidelijke grens. Zie toe hoe je dat doet, je moet er wel eenmaal verantwoording over afleggen! Vrees God, opdat het genot van uw jeugd u niet tot veroordeling zal zijn.

Wat ik zo mooi vind is dat de spanning erin wordt gehouden. Trek niet te haastig je conclusie. Het is allebei waar: een blije jeugd is iets om dankbaar voor te zijn. Maar tegelijk geldt: vergeet je Schepper niet. Luister naar Zijn stem. Richt je leven naar Zijn geboden.

De spanning erin houden, het boek Prediker staat er vol mee. In de ene tekst lijkt het dat de dood beter is dan het leven, in de volgende tekst staat het weer heel anders. In de ene tekst lijkt het dat werken een goede bezigheid is, in de andere tekst lijkt de boodschap tegenovergesteld. Echte wijsheid laat de spanning staan, wacht zich voor overhaaste conclusies. Is die spanning ook niet de essentie van ieder mensenleven, zeker van ons aardse leven in het licht van Gods eeuwigheid?

Die les neem ik graag mee naar de politiek. We hoeven niet altijd gelijk klaar te staan met onze conclusie en ons oordeel. Uiteindelijk is het God die oordeelt. Díé klem zit er wel op. Is de verkiezing van Trump in plaats van Clinton als Amerikaanse president een absolute ramp? Of is zijn verkiezing juist een zegen voor Amerika?

Beide meningen zijn te makkelijk. Is het niet wijzer de spanning te laten bestaan? Het is zeker waar dat er in Bijbels licht veel is aan te merken op Trumps uitspraken en gedragingen. Daar doe ik helemaal niets aan af. Maar de andere kant is ook waar. De Republikeinen hebben een meerderheid in het Huis van Afgevaardigden en in de Senaat. Onder hen zijn er ook zeker die voor christelijke waarden willen gaan. Wie weet welke kansen dat geeft voor een beleid voor meer bescherming van ongeboren kinderen, voor een constructieve houding tegenover Israël, voor een profamilybeleid? De tijd zal het leren.

De auteur is Kamerlid voor de SGP.

Als politicus uitkomen voor de eer van God

In de Waalse kerk in Den Haag wordt iedere maand een residentiepauzedienst gehouden. Een predikant spreekt een meditatie uit, waarna een politicus een toespraak houdt. Deze toespraak is van Elbert Dijkgraaf (SGP).

Wat de arme man in de belegerde stad ook deed, niemand zag hem staan. Wijsheid had hij. Hij wist hoe hij de stad moest verlossen. Maar status kreeg hij niet. Is dat erg? Het simpele antwoord is: nee, natuurlijk niet. Het enige punt waar het om gaat is de verlossing van de stad. Dat moet centraal staan. Of het tot aanzien leidde voor de arme man doet er verder niet toe.

Ik zeg het maar eerlijk; als politicus voelt dat anders. Als je als politicus een goed idee hebt, dien je een motie of amendement in. Of plaats je een tweet. In de hoop dat je boodschap opgepikt wordt door je collega’s, je achterban en journalisten. Maar waarom eigenlijk? En is dat wel goed? Ik denk dat het niet goed is, als de drijfveer is dat je status daardoor toeneemt. Dat het pochen wordt. Zie mij eens? Dan wordt het al snel: „Is dit niet het grote Babel dat ik gebouwd heb?”

Nu zou ik huichelen als ik zou beweren dat dit soort gevoelens nooit door me heen is gegaan. Maar goed is het niet. Dat moet je niet aanmoedigen. Dat moet je zien af te leren. Maar dat wil niet zeggen dat je als politicus maar moeten stoppen met bekend te maken wat je doet.

Een goede status voor een partij is van belang. Niet om mensen op een voetstuk te plaatsen. Maar wel om het gedachtegoed beter voor het voetlicht te kunnen brengen. Als nooit iemand te weten komt waar je voor staat, dan bereik je ook niets. Waarom zouden mensen dan op je stemmen?

Iedere partij heeft weleens last van een imago dat aan je kleeft. Een negatieve status helpt niet om te verwezenlijken waar je voor staat. Dan is het handig om dat om te buigen naar een positief gevoel. Dan zijn mensen nu eenmaal ontvankelijker voor je boodschap.

En dan moet het natuurlijk niet om de partij gaan. Dat is ook maar een mensending. Maar wel om het achterliggende gedachtegoed. We kunnen toch niet zwijgen als we diep overtuigd zijn van de goedheid van Gods geboden? Als we zeker weten dat als iedereen Gods geboden volgt, dat goed is voor ons allen?

Daarmee is de boodschap over de arme wijze man mijns inziens niet zomaar toepasbaar op een politieke partij. Het kan er in de politiek wel degelijk toe doen dat je boodschap goed voor het voetlicht komt. Alhoewel….

Ik verbaas me weleens over de gretigheid waarmee politici laten zien wat ze allemaal doen. Ze slaan je om de oren met elk ideetje waarmee ze zijn opgestaan. Nu heeft dat misschien te maken met het verlangen naar status. En helaas is het zo dat dit binnen sommige partijen noodzakelijk is om je positie te handhaven. Anders kegelen ze je zomaar van de lijst.

In wijsheid kiezen wat je wel en niet voor het voetlicht brengt is mijns inziens beter. Het is waar dat we vaker in de media zijn dan vroeger. Maar wat weinigen weten is dat we veel mediaverzoeken afwijzen. Dat we tot de conclusie komen dat zwijgen beter is. Wie blindelings ingaat op elk verzoek loopt algauw het risico in de grachten van de media te belanden. En die zijn nogal modderig.

In het vorige kabinet was de zetel van senator Holdijk nodig om het kabinet aan een meerderheid te helpen in de Eerste Kamer. Achter de schermen onderhandelden we stevig. In het begin kwam dat geregeld naar buiten. Maar toen begon de weerstand te groeien bij collega’s van coalitiepartijen. Waarom haalden die SGP’ers wel puntjes binnen en zij niet? Toen hebben we bewust besloten vaker te zwijgen. Bereikte punten weg te geven aan collega’s. Niet elke keer te claimen wat wij bereikt hadden. Zo bereikten we meer. Soms is zwijgen beter.

Goed afwegen of publiciteit helpt om je doel te bereiken geldt temeer als het principiële punten betreft. Omdat die de kern van je partij betreffen, breng je die het liefst naar buiten. Maar soms is het verstandiger om achter de schermen wel wat te bereiken en voor de schermen schijnbaar met lege handen te staan.

De kern van de tekst (Pred. 9:14-15) bevat daarom veel wijsheid. Te allen tijde moet het om de stad gaan en niet om de man. Als de stad maar gered wordt. Dat valt niet mee als we zelf in het middelpunt staan. Maar als we onszelf mogen zien als dienaren in de stad Gods, dan is het mooi werk. Dan is het een voorrecht als Hij de woorden in onze mond legt als we mogen spreken. Dan is het prachtig als we mogen zwijgen als dat voor de stad beter uitkomt. Zwijgen over onszelf maar ook dan voluit uitkomen voor de eer en heerlijkheid van Gods heilige Naam.

Spelen met de Leviathan

In de Waalse kerk in Den Haag wordt iedere derde dinsdag van de maand een residentiepauzedienst gehouden. Een predikant spreekt een meditatie uit, waarna een politicus van een van de christelijke partijen een toespraak houdt. Deze toespraak is van Diederik van Dijk (SGP).

De Leviathan! Alleen al het uitspreken van deze naam ademt onheil. De Leviathan komen we geregeld tegen in de Bijbel. In Jesaja, in Openbaring en vooral in het boek Job. Daar worden zijn kracht en verschrikking expliciet beschreven. Het is een meerkoppig zeemonster dat de diepte van de oceaan in beroering brengt. Uit zijn mond komen fakkels en verzengend vuur; er komt rook uit zijn neusgaten (Job 41). Ontembaar en huiveringwekkend! De Leviathan staat symbool voor duivelse verschrikking en duistere macht. De Leviathan is de grote vijand van God.

We ruiken de Leviathan als we getuige zijn van een tsunami die duizenden slachtoffers maakt. Of als door een aardbeving complete gezinnen door de aarde worden verslonden. Maar we zien ook de contouren van de Leviathan als in naam van de IS-ideologie jongemannen worden geroosterd in een kooi. We bespeuren zijn aanwezigheid als er op tv een terechtstelling wordt uitgevoerd, onder de dekmantel van euthanasie. Of waar zwangerschapstesten leiden tot de zuivering van downkinderen. Waar brandbommen worden gegooid naar een moskee. We zagen ook zijn lange schaduw bij het gevluchte jongetje dat dood aanspoelde aan de kust van de Middellandse Zee. De Leviathan. Wat een ellende.

De Leviathan komen we ook tegen in de Psalmen. De Bijbel rammelt weleens aan de theologische tralies die wij om hem heen hebben geplaatst. In Psalm 104:26 lezen wij dat God de Leviathan heeft geformeerd. God heeft de Leviathan gemaakt! Die angstaanjagende kracht is door God gewild. Daar kunnen wij niet bij met onze gedachten, en dat willen we ook helemaal niet. God, Die Zijn hand heeft in het kwaad. Dat verstoort ons gepolijste Godsbeeld. Dan verliezen wij onze greep op Hem.

Toch heeft deze tekst iets geruststellends. Het kwaad gaat niet buiten God om. Er is geen terrein waarop God geen vat heeft. Er is niets wat Hem overvalt. Dat geldt zelfs het bestaan van Zijn vijanden. Het geldt zelfs de Leviathan, Zijn grootste tegenstander. Politici kunnen kwaad en onrecht nooit volledig uitbannen. Maar God staat erboven. Hij heeft de verwoester geschapen (Jes. 54:16).

Als we Psalm 104:26 letterlijk vertalen, staat er dat God de Leviathan heeft gevormd om ermee te spelen. Zelfs de Statenvertaling durfde zo veel letterlijkheid niet aan. Die stelt dat God de Leviathan heeft geformeerd om hem in de zee te laten spelen. Maar dat staat er niet. God heeft de Leviathan gemaakt om ermee te spelen. Als met een vogeltje in een volière.

Dit beeld zien we terug bij Job. God daagt Job uit en vraagt of hij soms kan spelen met de Leviathan alsof het een vogeltje is (Job 40:24). Job kan dat niet, maar de Heere wel. De Leviathan is gewoon Gods kanarie, waar Hij mee speelt.

Nu luistert het wel nauw! Islamitische Staat, de vaatbommen van Assad, ontelbare geaborteerde kinderen, al het leed waar mensen om moeten huilen en waaraan zij stukgaan. Hoe kan het kwaad, hoe kan de Leviathan een speeltje van God zijn?

God formeerde dit zeemonster. Hij speelt ermee, maar Hij doet dat in het woongebied van dit monster. Ergens midden op de oceaan, ver weg van onze kusten. God is soeverein. Maar wij zijn mensen. Als wij ons inlaten met het kwaad gaat het mis. De dijken die God in Zijn Woord optrekt, negeren wij. Wij menen Zijn beschermende leefregels niet nodig te hebben en steken de dijken door. Maar dan gaat het fout. Dan vergrijpen wij ons aan onschuldig leven. Dan snellen we elkaars koppen. Dan breekt onze zonde uit.

Hier raken wij aan de taak van christenpolitici. Eraan werken om de dijken die God schonk intact te houden. Het kolkende water –en daarmee de Leviathan– zo veel mogelijk proberen buiten te houden. Soms mag een christenpoliticus als een Hansje Brinker zijn vinger in de dijk steken en zo groter onheil voorkomen. Maar vaak is de kracht van het water te groot.

Christenpolitici zijn niet opgewassen tegen de Leviathan, tegen de boze. Daarom haal ik mijn hart op aan deze Bijbeltekst. Voor God is de Leviathan een speeltje. Op een goede dag ruimt God Zijn speelgoed definitief op. Er is dan geen kwaad en onrecht meer. Dan spoelen er geen dode kinderen meer aan. Dan mogen Gods kinderen voor eeuwig spelen, zonder moe te worden.

De hervormde predikant W. M. Dekker preekte eens aan de hand van Psalm 104 over God en het kwaad. Hij vertelt daarin een Joodse anekdote waarmee ik afsluit:

„Zeg Rabbi, wat zal er gebeuren als de Messias komt?”
„Als de Messias komt, dan maken we een groot feestmaal gereed!”
„En wat zullen we eten op het feestmaal? Wat eten we dan?”
„De Leviathan.”
„Wat eten we dan?”
„De Leviathan!”

De auteur is lid van de Eerste Kamer voor de SGP.

Zorg voor de zwakken

In de Waalse kerk in Den Haag wordt iedere derde dinsdag van de maand een residentiepauzedienst gehouden. Een predikant spreekt een meditatie uit, waarna een politicus van een van de christelijke partijen een toespraak houdt. Deze toespraak is van Roelof Bisschop (SGP).

Het Rijksmuseum heeft heel veel moois te bieden. Ik wil het nu niet hebben over de ”Nachtwacht” van Rembrandt of over schilderijen van Jan Steen, maar over een ander topstuk: een zevenluik van de anonieme ”Meester van Alkmaar” uit circa 1500. Op zeven panelen heeft de schilder de zeven werken van barmhartigheid uitgebeeld: hongerigen eten geven, dorstigen van drinken voorzien, vreemdelingen herbergen, naakten kleden, zieken verzorgen, gevangenen bezoeken en de doden begraven.

U herkent in deze reeks de goede werken die de Heere Jezus in Mattheüs 25 noemt. De rechtvaardigen gaan het Koninkrijk binnen omdat zij die werken in praktijk gebracht hebben – al waren zij zich daarvan niet eens bewust. De verworpenen worden buitengesloten omdat zij deze barmhartigheden nagelaten hebben.

Deze kunstuiting maakt duidelijk dat zorg voor de zwakken onlosmakelijk verbonden is met het christelijke geloof. Stelt Christus in de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan (Lukas 10) ons Zelf overigens eigenlijk niet de vraag: „Voor wie bent u een naaste?” Zoals Hij ook in de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus (Lukas 16) ons confronteert met de vraag hoe wij omgaan met onze voorspoed en rijkdom. Dat zijn vragen die ons persoonlijk raken, maar we kunnen ze ook betrekken op het maatschappelijke en politieke handelen: hoe gaan wij als christenen in de samenleving en als christelijke politici om met de zorg voor de zwakken?

We leven in een ”participatiemaatschappij”, heet het. De verzorgingsstaat, zoals de overheid die de afgelopen vijftig jaar heeft vormgegeven, is vaak ten koste gegaan van de verantwoordelijkheid voor en naastenliefde tot elkaar die we in de samenleving behoren te hebben. De verzorgingsstaat is inmiddels onbetaalbaar geworden. Dus moeten we de omslag maken naar de ”participatiemaatschappij” – al zou de term ”zorgzame samenleving” mijns inziens een betere omschrijving zijn, als we de ”zorg voor de zwakken” niet uit het oog willen verliezen.

In de praktijk wordt het begrip ”participatiemaatschappij” namelijk maar al te vaak opgevat als ”prestatiemaatschappij”. Je moet bijdragen aan de economie, kinderen moeten zo vroeg mogelijk gerichte leerprogramma’s volgen en zo hoog mogelijke scores halen. De overheid ”investeert” in studenten – dus moeten zij rendement opleveren voor de samenleving, want we willen een ”kenniseconomie” zijn. Daardoor wordt ook informele zorg, zoals mantelzorg en het opvoeden van kinderen, zwaar ondergewaardeerd en zelfs fiscaal afgestraft.

Het is een tegendraadse boodschap die christenen in deze prestatiemaatschappij moeten uitdragen: het gaat uiteindelijk niet om ”het beste uit jezelf te halen”, niet om zelfontplooiing, niet om maximaal economisch rendement, niet om carrière maken (al dan niet ten koste van anderen). Het gaat om heel andere waarden.

Natuurlijk is het onze verantwoordelijkheid om de talenten waarmee de Heere God ons heeft toegerust, te gebruiken. Maar we zijn er alleen maar rentmeester over, geen meester. De vraag waar het op aankomt is dus niet hoeveel profijt de samenleving daarvan heeft, maar op welke manier we daarmee de uitbreiding van Gods Koninkrijk het beste dienen. Daarin neemt de zorg voor de zwakken een belangrijke plaats in. In geestelijk opzicht –waarbij de kerken een centrale plaats innemen–, maar ook in maatschappelijk opzicht – waarbij de samenleving en de overheid een taak hebben. Sleutelwoorden daarbij zijn barmhartigheid en rechtvaardigheid. Ofwel: hard voor de ‘wolven’ –ook die in schaapskleren– en mild voor de kwetsbaren.

Ik sluit af. Ruim dertig jaar geleden deed onderzoek in het archief van een Amersfoortse liefdadigheidsinstelling rond 1500. Ook de administratie van de penningmeester moest in dat verband doorgeploegd worden. De cijfers ben ik allemaal vergeten, maar één ding is me bijgebleven. Als koptekst boven aan de bladzijden met cijferreeksen schreef hij steeds weer het zinnetje: „Wie den armen geeft, leent den Heere.”

Dat is een boodschap –verwijzend naar de toen gangbare Bijbelvertaling– die 500 jaar later nog volop actueel is. Het gaat erom dat we, zowel persoonlijk als maatschappelijk, kerkelijk en bestuurlijk, zorgdragen voor de zwakken in de samenleving. Dat is een van onze eerste plichten als christen.

Ik wens u en ons daarbij veel bereidheid, inzicht en wijsheid toe.

De auteur is Kamerlid voor de SGP.

Het goede doen, in hoop op Christus Triomfator

In de Waalse Kerk in Den Haag wordt iedere derde dinsdag van de maand een residentiepauzedienst gehouden. Een Haagse predikant spreekt een meditatie uit, waarna een politicus een toespraak houdt. Deze toespraak is van Pieter Grinwis (ChristenUnie/SGP).

De zee, die steeds weer nam Zal eenmaal wedergeven Allen die zijn gebleven Aan Hem die eerst ontkwam De Heer van wind en water Aan Christus Triomfator

Dit gedicht van Inge Lievaart staat op het vissersmonument op de boulevard van Scheveningen. Het wordt elk jaar gedeclameerd tijdens de herdenking van op zee omgekomen Scheveningse zeelieden. Als raadslid heb ik die herdenking nu een paar keer mogen meemaken.

Den Haag is een stad aan zee. Een stad ook die internationale stad van vrede en recht wil zijn. Natuurlijk ziet die marketingleus op alle internationale instellingen op het gebied van vrede en recht in onze stad. Maar wat merken we in de praktijk van alledag van vrede en recht? Ik was nog maar net raadslid of pro-ISIS-betogers gingen in de Schilderswijk de straat op met hun antidemocratische en antisemitische leuzen. Tot en met de gemeenteraad aan toe was er sympathie voor ISIS/IS.

Een paar maanden geleden sloeg, nadat Mitch Henriquez tijdens een arrestatie was overleden, op dezelfde plek de vlam opnieuw in de pan. Rellen braken uit. Het recht struikelde op de straten. Vrede en recht zijn op zo’n moment ver te zoeken.

Maar juist op dit soort kritieke momenten staan er ook mensen op die heel concreet de vrede voor onze stad zoeken. Ik was bijzonder getroffen hoe de Marthakerk aan de Hoefkade (hartje Schilderswijk) de dagen na de dood van Mitch haar deuren opende voor wijkbewoners en belangstellenden. Mensen konden hun gevoelens uiten, een gebed opzenden, een kaars ontsteken of gewoon de stilte zoeken te midden van het woelen van deze wijk, van deze stad. Deze kerk hoopte met haar openstelling een bijdrage te leveren aan de rust in die wijk en onze stad.

Een mooi voorbeeld van hoe we als christenen, als kerk, in deze tijd naaste kunnen zijn, hoe we er kunnen zijn voor onze stad. Want dat is natuurlijk best wel een vraag: Hoe hebben we als christen, als christenpoliticus, te staan in deze seculiere tijd? Ik vind de bekende slotsom van Bonhoeffers doopbrief wat dat betreft inspirerend: Bidden, het goede doen onder de mensen en wachten op God.

Het goede doen, de vrede voor de stad zoeken. Niet alleen met christenen, maar met iedereen van goede wil. Heel praktisch. Werk oppakken dat anderen laten liggen. Je huis openstellen, bijvoorbeeld voor vluchtelingen – prachtig, dat initiatief van christenen in Apeldoorn! Verbindingen leggen tussen mensen in plaats van hen in de hoek te zetten.

En in de politiek? Eigenlijk niet veel anders, natuurlijk met inachtneming van de grenzen van de politiek, van waar de overheid over gaat. Zonder pretenties, zonder maakbaarheidsidealen en belangeloos het goede doen. Met God midden in de wereld, midden in de politieke arena staan.

Dat is natuurlijk makkelijk gezegd, maar lang niet eenvoudig. Onze fractie, maar vele collega’s met mij, proberen dat door goed te luisteren naar de noden van mensen. We strijden tegen onrecht, zoals in de prostitutie. Na die pro-ISIS-demonstraties zijn we de wijk ingetrokken. We bezochten scholen en joodse instellingen, hadden indringende gesprekken met moslims, we schreven een nota met concrete voorstellen, die het college vervolgens voor een groot deel overnam. Maar ja, was dat ”het goede doen”? Of was het vooral politiek handig?

Het zit hem natuurlijk niet alleen in de inhoud, maar ook in de stijl van optreden. Ik noem maar iets kleins. Ons team van de ChristenUnie/SGP benadert alle collega’s open en onbevooroordeeld. Dat klinkt natuurlijk vanzelfsprekend. Maar ik merk dat het dat allerminst is in de zeer gepolariseerde Haagse raad.

Morgen is het Prinsjesdag. Een traditie die inmiddels ruim 200 jaar oud is. Dat is natuurlijk een lange tijd, maar steekt bleekjes af bij het eeuwige koningschap van Jezus Christus, waarover het gaat in het tekstgedeelte van de meditatie vandaag (2 Sam. 7:12-16).

Als ik sta in de wind op de boulevard bij de herdenking van omgekomen zeelieden, turend over het water, zijn het vooral deze woorden die beklijven en kracht en hoop geven: Hij Die eerst ontkwam, de Heer van wind en water, Christus Triomfator.

De auteur is fractievoorzitter van de ChristenUnie/SGP in de gemeenteraad van Den Haag.